Zelfverzekerd doch waakzaam. Of: de paradoxen van veiligheid

De Zuid-Afrikaanse samenleving is een angstfabriek. De misdaadcijfers zijn uitzonderlijk hoog en de angst voor fysiek geweld op straat wordt breed gedeeld. Zodra je gaat nadenken over veiligheid, buitel je van de ene paradox in de andere. De ogenschijnlijk tegenstrijdige adviezen ‘Be vigilant!’ en ‘Walk with confidence!’ vormen daarvan maar een voorbeeld. Van de filosoof Merleau-Ponty heb ik geleerd dat beperkingen van lichamelijke bewegingsvrijheid wat ik kan’ aantast, de flexibele lichamelijke vaardigheden die ons in staat stellen om om te gaan met wat de wereld van ons vraagt, in het licht van waar we mee bezig zijn. Het ‘ik kan’ is een belichaamde en praktische vorm van kennis. Wanneer de veiligheid van de openbare ruimte ernstig in gevaar is, overschaduwt het ‘ik kan niet’ het ‘ik kan’ en wordt de wereld kleiner. De ruimte die we met elkaar delen sluit zich steeds meer.

welcome to johannesburg_Lubach

Een vriendin stuurde me onlangs een animatiefilmpje dat ze gebruikt in haar filosofielessen aan middelbare scholieren. Het filmpje is er een in een reeks van Arjen Lubach van enige tijd geleden over veel gemaakte argumentatiefouten: ‘Dit willen we niet meer horen’. In het filmpje zien we een mannetje tegen een skyline van high rise building, naast een bord met het opschrift Welcome to Johannesburg. “Je leest altijd dat Johannesburg zo crimineel is, maar ik ben er een keer een paar dagen geweest. Niks gebeurd. Hartstikke veilige stad!” (Onderwijl wordt op de achtergrond iemand neergestoken.) Het is een voorbeeld van ‘anekdotische bewijs’: het afleiden van een algemene regel (‘Joburg is een hartstikke veilige stad.’) uit een, of hoogstens een paar specifieke gevallen (‘Ook mijn neef heeft er niks naars meegemaakt.’). Ongeldig dus. Het omgekeerde is natuurlijk ook waar, bedacht ik me: een rotervaring in Johannesburg, bewijst op zich nog niet dat het een onveilige stad is. Toch kan Lubach het voorbeeld – Johannesburg – niet helemaal willekeurig gekozen hebben. Lutjebroek zou de argumentatiefout toch minder aanschouwelijk geïllustreerd hebben.

 De paradox van beveiliging en veiligheid

south-africa-johannesburg-electric-fences-walls-and-barbed-wire-surrounding-AT5HHM

Zelfs in tamelijk arme buurten ziet particulier eigendom er zo uit: een omheining met electric fences, gekoppeld aan 24-uursbewaking met een armed response contract

Maar wanneer ik beweer dat het te voet navigeren van de publieke ruimte in Zuid-Afrika een hachelijke onderneming is, dan ga ik niet over een nacht ijs. Ik baseer me op een grote hoeveelheid verschillende bronnen: eigen persoonlijke ervaringen, die van mijn partner, kennissen en buurtbewoners, gecombineerd met de misdaadcijfers van de politie (die gezien de notoire corruptie en incompetentie van het politieapparaat waarschijnlijk nog een te zonnig beeld geven) en wetenschappelijke studies. Dat ik hier spreek over het lopen op straat, wil overigens niet zeggen dat andere vervoersmiddelen, of het nu om eigen of openbaar vervoer gaat, niet hun eigen risico’s kennen, noch dat ‘thuis’ vanzelfsprekend veilig is. En o ja, ik heb behoorlijk systematisch gedurende bijna twee jaar in verschillende Zuid-Afrikaanse steden geobserveerd wat er op straat gebeurt wanneer het donker valt: iedereen haast zich naar binnen en binnen een uur is de openbare ruimte spookachtig verlaten (met uitzondering van de toeristische wijken in Kaapstad; het is alleen de vraag hoe openbaar die zwaar bewaakte ruimtes zijn). Tijdens de jaarwisseling werden er in het centrum van Johannesburg hoorbaar overal feestjes gevierd en veel vuurwerk afgestoken, maar waagde niemand zich op straat. En als dat niet genoeg is om te constateren dat de meeste mensen hier in de greep zijn van angst, dan zijn er nog de overal zichtbare extreme beveiligingsmaatregelen er wel om je daaraan herinneren. Ze onderstrepen paradoxaal genoeg de onveiligheid eerder dan dat ze geruststellen, want die maatregelen zijn, kennelijk, nodig.

Onder een paradox versta ik hier wat anders dan logici daarmee bedoelen: een denkfout die moet worden opgelost. Ik denk eerder aan de literaire of retorische stijlfiguur van de schijnbare tegenspraak. In het dagelijkse leven bestaan er vaak spanningen tussen ervaringen die aan elkaar tegengesteld lijken. Maar ook al is de tegenspraak ogenschijnlijk (vals), er is wel degelijk een spanning. Die spanning kun je niet oplossen of wegverklaren door er beter (logischer) over na te denken of door meer (wetenschappelijk) onderzoek te doen. De twee ervaringen zijn tegelijk verschillend (onderscheiden) en met elkaar verbonden, als twee kanten van een munt. Die onoplosbare spanningen ‘slaan’ bij nader inzien wel degelijk ‘ergens op’. Ze zijn reëel, dat wil zeggen: betekenisvol, en dus zullen we ze moeten uithouden. Paradoxen drukken dus tegen-intuïtieve inzichten uit (van het Griekse para-, tegen-, en doxa, publieke opinie), bijvoorbeeld dat beveiliging de ervaring van onveiligheid in de hand werkt. Maar het zijn geen misvattingen.

De paradox van toerist-zijn

Elke toerist en expat, vooral die uit Europa (Amerikanen hoeven over het algemeen minder uitgelegd te worden) wordt daarom overstelpt met veiligheidsadviezen. Wie zich thuis voorbereidt door reisgidsen te raadplegen, krijgt bijvoorbeeld het paradoxale advies ‘er niet uit te zien als een toerist’ (Rough Guide), of om er ‘niet uit te zien als iemand die veel waardevolle spullen bij zich draagt’, of ‘angstig of verdwaald’ is, zelfs al je de weg wel kwijt bent (Lonely Planet).

Screen Shot 2017-04-23 at 17.19.35

Gezond verstand

Vrijwel alle links-liberale Europeanen die hier komen, beginnen met een strijdbare houding: ik laat me niet gek maken door de horrorverhalen, want die berusten louter op overdrijvingen, racistische vooroordelen en sensatiezucht. De eerste opgave waarvoor expat of toerist zich dus gesteld zien is het scheiden van hysterie en gruwelromantiek (dit ontleen ik aan Robert Musil’s Der Mann ohne Eigenschaften) van realiteitszin. Daar begint de onzekerheid. Het vergt behoorlijk wat interpretatieve vaardigheden, waarbij je niet direct kunt vertrouwen op je gezonde verstand. Immers, als het voldoende was af te gaan op je intuïtie, kon je die adviezen soeverein in de wind slaan. Maar dat hier-niet-zo-gezonde verstand is in een heel andere maatschappelijke context gevormd, waarin de meeste mensen voornamelijk met criminaliteit op straat te maken krijgen in de vorm van zakkenrollen, of in het uiterste geval, van lokaal en/of in de tijd geconcentreerd geweld: die straat die niet helemaal pluis is, of dat parkje waar je in het donker beter niet alleen kunt lopen.

Angstfabriek

In Zuid-Afrika is fysiek geweld daarentegen voortdurend aanwezig, als realiteit of dreiging. Het extreem gewelddadige recente verleden en de even extreme sociaal-economische gevolgen daarvan vandaag (ongelijkheid en armoede), hebben voor een cultuur gezorgd waarin geweld een altijd mogelijke handelingsoptie is (om iets van iemand anders gedaan te krijgen, of om conflicten te beslechten), onder alle bevolkingsgroepen, en waarin tegelijkertijd bijna iedereen in meerdere of mindere mate in angst voor geweld leeft.

‘s Avonds en ’s nachts komt niemand die goed bij zijn of haar hoofd is op straat, maar dat wil niet zeggen dat het daar overdag wél veilig is. Ik ben nogal preuts als het gaat om sensatiezucht, en geef daarom geen concrete voorbeelden. Ik laat het aan de verbeelding van de lezer over alle voor haar denkbare vormen van crimineel geweld op straat in elke mogelijke permutatie en combinatie voor te stellen: bedreiging met wapens, beschietingen, beroving, woninginbraak, vrijheidsberoving, in brand steken van personen, moord en verkrachting (met name van vrouwen en kinderen) – en dat op grote schaal. Dat geeft een goed beeld van de werkelijkheid waar de meeste mensen in Zuid-Afrika dagelijks rekening mee moeten houden.

Overigens komt daar ook georganiseerd straatgeweld bij. Zoals bendegeweld, maar dat concentreert zich op enkele welbepaalde plaatsen, met name de Cape Flats, de uitgestrekte verzameling sloppenwijken in Kaapstad aan de verkeerde kant van de Tafelberg.

large_tv

Still uit een aflevering van de NPO-serie Goede Hoop over Nederlanders in Zuid-Afrika. Op bezoek bij een zwaarbewaakte school in de Cape Flats (de metershoge hekken en poorten zorgden voor het eerste moment van benauwdheid bij de interviewer, Hans Goedkoop), vroegen de leerlingen Goedkoop of mensen in Nederland ook op elkaar schieten. De vraag alleen al zorgde voor veel verwarring bij de interviewer. Pas nadat de leerlingen het een aantal keer hadden herhaald, in het Afrikaans en het Engels, kwam de vraag aan. Ik herkende de verbijstering op Goedkoops gezicht maar al te goed. Op zijn vraag wie in deze klas iemand in zijn directe omgeving had verloren door geweld, stak het grootste deel van de leerlingen hun vinger op.

Het geweld van chauffeurs van bemeterde taxi’s tegen Uber chauffeurs in de metropolen begint zich inmiddels ook te organiseren. En ook de zogeheten xenofobe – correcter: Afrofobe – rellen die het land quasi-golfsgewijs overspoelen zijn geen natuurverschijnselen, en treden niet spontaan op. Politieke leiders hitsen Zuid-Afrikaanse burgers op tegen migranten; in de eerste golf die ik hier meemaakte in april-mei 2015 de Zulu koning, in de tweede golf in februari-maart 2017 de burgemeester van Johannesburg (zie hierover ook de aflevering ‘De xenofoob’ in Bram Vermeulens uitstekende VPRO-serie De trek). Ongeorganiseerde, georganiseerde en politiek gemotiveerde misdrijven lopen dus soms in elkaar over. En dan heb ik het nog niet over willekeurig politiegeweld gehad, dat zich vrijwel uitsluitend richt op zwarte mensen, met name buitenlanders. De staat en instituties grijpen hier sowieso gemakkelijk naar geweld. Onlangs publiceerde ik hierover een artikel, ‘De universiteit als strijdtoneel. Over democratie, protest en geweld’ in een Zuid-Afrikaans wetenschappelijk tijdschrift, naar aanleiding van de #MustFall protesten sinds begin 2015.

De distributie van geweld

Ik kan geen betrouwbare studies vinden die een algemeen beeld schetsen van de slachtoffers, maar vooral niet van de daders van dit straatgeweld. Laat staan dat iemand in algemene zin iets kan zeggen over mogelijke oorzaken. In concrete gevallen is het natuurlijk duidelijker wie de slachtoffers zijn. In de voorbeelden hierboven zijn dat arme zwarte mensen, vrouwen, kinderen en ‘buitenlanders’, dat wil zeggen: laaggeschoolde, vaak ongedocumenteerde arbeidsmigranten van het continent. En wie J.M. Coetzee’s Disgrace (1999) heeft gelezen, weet ook van de plaasovervallen op witte boeren en hun gezinnen op afgelegen plaatsen. Deze overvallen zijn even gruwelijk als onevenredig breed uitgemeten in de media.

Door alle private beveiligings- en bewakingsmaatregelen oogt de openbare ruimte guur, ongastvrij en zelfs vijandig. Uitgaan doen mensen in winkelcentra, daar zijn de ‘cafés’, restaurants en bioscopen – en uiteraard de winkels.

smile 10

In Park Station, centrum Johannesburg 

Voordeel

Wat ik heb geleerd van de verhalen van slachtoffers: niemand went ooit aan geweld en de angst ervoor. De enigen die voordeel hebben bij de angstfabriek (naast uiteraard de daders) zijn particuliere beveiligingsbedrijven en de producenten van wapens, al dan niet ter zelfverdediging. De particuliere beveiligingstak heeft meer personeel in dienst dan de politie en het leger samen. Een verkoper van tasers in alle soorten en maten langs je tafeltje krijgen in de horeca, is hier even gewoon als de verschijning van rozenverkopers in cafés en restaurants in Nederland. Luchtdrukgeweren worden hier verkocht bij de sigarenboer op de hoek.

Oordeelsvermogen

In deze context is het in Nederland gevormde gezonde verstand dus een tamelijk waardeloos kompas. Risico’s zijn veel minder geconcentreerd naar plaats en tijd en daarom moeilijker te ontlopen. Daarnaast maakt het mogelijke gebruik van geweld aangeleerde strategieën tegen, bijvoorbeeld, beroving nutteloos. In Nederland is het zinvol op je spullen te letten in de publieke ruimte, omdat mogelijke dieven meestal zo onzichtbaar mogelijk willen opereren. Geweld, of de dreiging ermee, heeft daarentegen alleen effect wanneer het zichtbaar is.

Het begint dus met de opgave je onderscheidingsvermogen te herijken om bij adviezen zin en onzin te scheiden, te leren bepalen wat hysterisch, wat naïef en wat realistisch. Dat herijken neemt enige tijd. Terugkijkend op mijn eerste dagen in Zuid-Afrika, bijna twee jaar geleden, denk ik nu dat ik toen soms roekeloos was, ook al is mij destijds niets overkomen. Zo reisde ik bijvoorbeeld per metro en taxibusje in Pretoria, iets dat onder mijn collega’s voor een soort ongelovige verbijstering zorgde.

Belichaamde kennis

Dat herijkte gezonde verstand is een belichaamd soort ervaringskennis, gecheckt aan de ervaringen van anderen. Ik weet inmiddels tamelijk goed welke straten ik soms moet mijden, en wanneer, en welke altijd. Ik weet inmiddels ook dat de mensen in mijn buurt gatvol zijn van het straatgeweld, en desnoods, zoals ik meermaals heb gezien, collectief het heft in eigen handen nemen tegen (vermeende) dieven. Mob justice correspondeert hier met het totale gebrek aan vertrouwen in de gemeentelijke en de rijkspolitie. Agenten zijn veelal lethargisch en corrupt en zien er geen probleem in zélf straatverkopers af te persen, zeker wanneer het (illegale) arbeidsmigranten zijn.

Een advies dat een buurman me pas gaf in de lift: blijf zoveel mogelijk binnen. Maar goed, ik moet soms toch ergens heen, bijvoorbeeld om college te geven in Pretoria.

Ik verlaat me het liefst op doorleefde adviezen van buurtbewoners die ik beschouw als nuchtere realisten. De meeste adviseren respectievelijk Walk with confidence! en Be vigilant! De ene vraag is of deze strategieën effectief zijn, dat wil zeggen: helpen om inderdaad heelhuids aan te komen op je plaats van bestemming, en dan liefst nog in het bezit van de spullen waarmee je bent vertrokken. Een potige verschijning of een houding van ‘wie-maakt-mij-wat’ leggen het immers af tegen wapens; het verschil tussen zakkenrollen en gewapende straatroof.

De andere vraag is hoe je dit eigenlijk doet, tegelijk zelfverzekerd en waakzaam zijn. Ten eerste: naar de aard van de zaak ben ik niet zelfverzekerd. Als ik niet angstig was hoefde ik me immers helemaal niet druk te maken om die strategieën. ‘Loop zelfverzekerd’ kan dus alleen maar betekenen: loop alsof je zelfverzekerd bent. Het is weer een paradox: precies omdat je bang bent, moet je doen alsof je dat niet bent.

Acteren

Ten tweede: hoe ziet het er uit als iemand zelfverzekerd en waakzaam loopt? Ik kan me iets voorstellen bij het ‘doen’ van zelfverzekerdheid, en ook bij het ‘doen’ van oplettendheid, maar niet bij beide tegelijkertijd. Mijn onderzoeksleider vroeg me beide voor te doen. Mijn performance van zelfvertrouwen werd een weinig overtuigende karikatuur: rechtop, hoofd geheven, een blik van ‘wie-maakt-mij-wat’ (sommigen adviseren altijd een zonnebril te dragen, waarschijnlijk om je angstige blik te verbergen). Daar valt wellicht op te oefenen, want hé, zoals gezegd gaat het om doen alsof, zoals een acteur die een rol speelt zich inleeft in een persoon die zij niet is. Maar ‘waakzaamheid’ acteren, zag er al snel uit als schichtig om me heen kijken. Dat oog angstig, en dus als het tegendeel van zelfverzekerd.

De Franse filosoof Merleau-Ponty (1908-1961), een collega van Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir, helpt me om de spanning tussen waakzaamheid en zelfverzekerdheid beter te begrijpen.

filmstill Disgrace

Still uit de verfilming van Coetzee’s Disgrace (AUS, 2008, regie: Steve Jacobs)

Vertrouwd

Merleau-Ponty laat zien dat we in het dagelijks leven, dat wil zeggen: gewoonlijk, wanneer alles z’n gangetje gaat, ons lichaam niet ervaren als een ding, zoals andere dingen in de wereld. Je beweegt je zelfverzekerd, wanneer je opgaat in je omgeving, met andere woorden: als je er juist niet bij stil staat of zelfs maar oplet. Zoals wanneer mensen zeggen dat ze een bepaald traject, bijvoorbeeld de weg van huis naar werk, of naar de supermarkt, de crèche, of een andere plaats waar ze vaak komen, ‘met hun ogen dicht kunnen afleggen’. Dat laatste zal in de praktijk vast nog tegenvallen, maar de uitdrukking is duidelijk: vertrouwde omgeving, mensen, zintuigelijke indrukken zonder dat daar nog bewuste reflectie bij nodig is. Je lichaam handelt als het ware ‘vanzelf’. Wie kent niet de ervaring ineens op plek B te staan waar je dagelijks moet zijn, terwijl je eigenlijk op weg was naar plek C, waar je veel minder vaak komt? Of dat je ineens op plek B bent, en je eigenlijk niet meer kan herinneren de weg daarheen vanaf A te hebben afgelegd? Ik krijg regelmatig het verwijt van mensen die mij in Nederland op mijn dagelijkse loopje van huis naar mijn werkplek zijn tegengekomen, me hebben gegroet, maar geen reactie van mij kregen. Met andere woorden: ik ben op zulke momenten niet oplettend. Mijn bewuste aandacht gaat daar alleen uit naar het verkeer bij oversteken van de weg. En die verstrooidheid kan ik me daar kennelijk ook permitteren. Ik heb zelden iets bedreigends meegemaakt.

Vreemd

We gaan ons lichaam meestal pas als een ‘ding’ ervaren, dat je verstandelijk kunt analyseren of bestuderen zoals welk ander voorwerp dan ook, als er iets mis gaat, of als we, zoals dat heet, uit onze comfortzone raken. Dan pas ‘zie’ je wat je normaal gesproken niet ziet of simpelweg ‘aanneemt’ voor vanzelfsprekend. Een voorbeeld is als een lichaamsfunctie het, al dan niet tijdelijk, begeeft, bijvoorbeeld als je ziek wordt of een ongeluk krijgt. Wat altijd vertrouwd was, wordt dan plotseling vreemd.

Een ander voorbeeld dat de meeste mensen kennen is de ervaring van verhuizen. De eerste tijd in je nieuwe woonplaats moet je de supermarkt nog vinden, de brievenbus, de beste route naar werk of school. Je moet nog de ingesleten lichamelijke routines of gewoontes ontwikkelen die je in je vorige woonplaats had. De ‘automatische piloot’ ontbreekt nog. Je oriëntatie in de ruimte zul je bewust moeten uitvoeren en dat vergt beduidend meer inspanning dan je gewend was.

‘Ik kan’

Voor Merleau-Ponty zijn die gewoontes bovenal praktisch. Ze verwijzen naar wat hij het ‘ik kan’ noemt. We nemen de wereld waar voor zover het ons mogelijkheden tot handelen geeft. Beter gezegd: de wereld lokt als het ware voortdurend onze reacties uit. Het doet steeds een beroep op de flexibele lichamelijke vaardigheden die we ons in de loop van de tijd door te oefenen eigen hebben maken. Dat ‘ik kan’ stelt ons in staat om te gaan met wat de wereld van ons vraagt, in het licht van onze specifieke taken, dat wil zeggen, van dat waar we mee bezig zijn, of dat nu het opzetten van een waterketel is, boodschappen doen of een ingewikkeld project met anderen doen. Het ‘ik kan’ verwijst naar mijn know how, het impliciet weten hoe je iets moet doen, zonder dat je weet dat of wat je nu precies doet. Je hoeft er niet bewust over na te denken, of het te kunnen uitleggen, maar het is wel degelijk kennis: belichaamde en praktische intelligentie. Hierboven noemde ik al het voorbeeld van het ontwikkelen van ervaringskennis over veilige en onveilige straten in de buurt. Volgens Merleau-Ponty is het ‘ik kan’ onze meest basale manier van in de wereld zijn, dus niet het ‘ik ken’ of ‘ik weet dat’.

Blikverruiming

Terug naar de ervaring van onveiligheid en angst in de publieke ruimte. Aanvankelijk leidde de navigatie van de openbare ruimte in Zuid-Afrika bij mij tot een blikverruiming (Merleau-Ponty zou trouwens waarschijnlijk eerder spreken van een verruiming van onze waarneming, want waarnemen doen we niet alleen met onze ogen). De blikverruiming waar ik het hier over heb is veel minder verheffend dan de reclameslogans van de toeristische industrie beloven. Ik ervaarde ineens wat ik nooit als zodanig had onderkend: dat bewegingsvrijheid voor mij altijd vanzelfsprekend is geweest en dat ik het geluk en voorrecht heb in een deel van de wereld geboren te zijn waar de publieke ruimte zodanig veilig is dat dit inderdaad vanzelfsprekend kan zijn. En het geluk wit te zijn – ik weet inmiddels dat de publieke ruimte er ook in Nederland anders uitziet voor mensen die ‘zwart’ of illegaal zijn.

Door de opdracht Be vigilant! kwam plots dat wat ik nooit eerder zag in beeld: mijn omgeving en mijn eigen lichaam daarin. Mijn lichaam werd een vreemd ding voor mezelf – en een kwetsbaar lichaam bovendien. Die ervaring van vervreemding werd alleen nog maar versterkt doordat dat lichaam voorheen, in Nederland, kleurloos was, en in Zuid-Afrika pas wit werd (dit ‘witwas effect’ heb ik in een eerder blogessay beschreven). Als enige witte gezicht op straat, ben ik zo misplaatst of buiten de orde als, zo stel ik me voor, een gehoofddoekte moslima in een dorp in de biblebelt.

Tegelijkertijd vroeg Walk with confidence! van me om die omgeving en dat lichaam juist te vergeten, zoals we dat gewoonlijk precies doen. Om onze taken – van de trap oplopen of iets oppakken, tot boodschappen doen of een kunstwerk maken – enigszins behoorlijk te kunnen uitvoeren, hebben we gewoontes en een soort vanzelfsprekend vertrouwen nodig. Iedereen kent denk ik wel de ervaring dat je je in een gezelschap niet op je gemak voelt en je plotseling hevig bewust wordt van je eigen lichaam en je bewegingen. Je ziet jezelf als het ware als van buitenaf. Die bevangenheid maakt lopen, de ene voet voor de andere zetten, bijna onmogelijk: je struikelt of gaat zwalken.

Dit is een paradox in de zin die ik eerder beschreef, omdat de twee ervaringen maar moeizaam samen gaan: het natuurlijke en het onnatuurlijke, gewoonte en de ervaring van het ongewone, het vreemde en vertrouwde, alert zijn en vergeten. En dat is precies wat het dagelijks leven in Zuid-Afrika voor mij is: vermoeiend.

‘Ik kan niet’

De ervaring van onveiligheid en de angst voor geweld op straat zorgt dus voor een blikverruiming. Dat geldt althans voor de Europese expat of toerist in Zuid-Afrika, want anders dan Zuid-Afrikaanse burgers hebben zij een contrast ervaring.

Maar ik denk dat die blikverruiming tegelijkertijd samengaat met een blikvernauwing. Onveiligheid beperkt namelijk de vrije bewegingen van mensen. Onveiligheid tast ons ‘ik kan’ aan, doordat het ons beperkt in wat we ‘kunnen doen’. Het ‘ik kan niet’ is de schaduw van ‘ik kan’. Door preciezer te kijken naar het ‘ik kan niet’ krijgen we meer inzicht in het normale ‘ik kan’.

Door het versterken van de ervaring van het ‘ik kan niet’, maakt angst voor fysiek geweld de wereld kleiner. Concreter: de openbare ruimte is dan niet open, maar gesloten. Dat het de wereld kleiner maakt, moet misschien wel letterlijker opgevat dan we gewoonlijk doen. Volgens Merleau-Ponty kun je ‘ons’ en de wereld namelijk niet zomaar uit elkaar trekken. In filosofisch jargon: het is een misvatting om te denken dat het zelf een in zichzelf besloten ‘subject’ is dat tegenover een extern ‘object’ (dingen, andere mensen, standen van zaken, enzovoorts) staat. Het zelf en de wereld zijn op een dubbelzinnige manier met elkaar verweven. Dat heeft er precies mee te maken dat we belichaamde wezens zijn.

Precies en alleen omdat we een lichaam hebben (of beter gezegd: zijn) ‘hebben’ we pas ruimte: afstand, dimensie, diepte, vorm, omvang en beweging. Vanwege ons lichaam zijn we in staat iets vóór ons te houden. Daardoor kunnen we een ‘hier’ ervaren, en daarmee tegelijkertijd ook een ‘daar’, en hebben de dingen in de wereld een bepaalde positie ten opzichte van elkaar. De dingen die ik waarneem, dat wil zeggen, waarop ik mijn aandacht richt, zijn dus afhankelijk van mijn lichamelijke situatie. Ruimte is daarmee altijd in de eerste plaats ‘geleefde ruimte’, ofwel plaats. Ruimte is altijd al betekenisvol voor ons, dat wil zeggen, het is nooit iets neutraals, maar altijd zus-of-zo doordat het doet een beroep op mijn lichamelijke vaardigheden in een gegeven situatie, dat wil zeggen: dat waar ik op dat moment mee bezig ben. De wereld verschijnt dus altijd op een bepaalde manier, in relatie tot wat ‘ik kan’ en mijn taken (of preciezer: het samenspel tussen die laatste twee). Bijvoorbeeld, ‘afstand’ is dat wat ver weg is van mij, buiten het onmiddellijke bereik van mijn lichaam, ‘nabijheid’ dat wat dicht bij me is.

‘Ik beweeg’

Daarbij is het van belang dat ons lichaam mobiel is. Precies omdat we kunnen bewegen, kunnen we onze aandacht van het ene ding naar het andere verleggen, waardoor nu eens het ene voor ons oplicht, dan weer het andere, waardoor het eerdere als het ware terugglipt in de achtergrond van onze aandacht. Het ‘ik kan’ is daarom ook altijd een ‘ik beweeg’.

Blikvernauwing

Gewoonlijk, wanneer er niets aan de hand is, zijn de ruimtelijkheid van mijn lichaam (hier, de ‘binnenruimte’) en de ruimte buiten mij, mijn omgeving (daar, de ‘buitenruimte’) onmiddellijk met elkaar verbonden. Dat betekent dat de ruimte normaal gesproken open is, een veld van handelingsmogelijkheden. Uiteraard zijn die mogelijkheden niet onbeperkt, want ze zijn afhankelijk van wat ‘ik kan’ en van mijn taken. In sommige situaties wijkt wat ‘ik kan’ volgens mij helemaal voor wat ‘ik niet kan’. Bijvoorbeeld wanneer onze bewegingsvrijheid ernstig is ingeperkt. Dat kan door een handicap of ziekte gebeuren, maar ook door maatschappelijke of politieke omstandigheden. De vanzelfsprekende band tussen binnen en buiten wordt dan doorgesneden en er blijft een gesloten ruimte over. Ik geloof dat dat precies is wat er gebeurt wanneer de veiligheid van de publieke ruimte ernstig in gevaar is, dus als er onder een bevolking een breed gedeelde angst voor fysiek geweld leeft. De bewegingsvrijheid van mensen wordt dan beknot en daarmee wordt ook de ruimte die ze delen beperkt. Mensen trekken zich dan terug in hun huis – of in een bewaakt winkelcentrum.

Onveiligheid

Ik analyseerde hierboven mijn persoonlijke ongemak op straat, en de paradox van zelfverzekerheid en waakzaamheid. Ik denk dat het ook een ruimere betekenis heeft, al was het maar omdat het hier gaat om een ervaring die breed wordt gedeeld. Ik ga hier een stapje verder dan Merleau-Ponty, want onveiligheid of angst voor geweld, is niet alleen een existentieel probleem. Het is ook een moreel probleem. Het tast bijvoorbeeld de bereidheid aan om anderen te helpen in de publieke ruimte, door overwegingen van lijfsbehoud (dit verschijnsel beschreef ik al eerder in [dit] blog).

Onveiligheid is ook een sociaal probleem, omdat het samenhangt met sociale ongelijkheid en die verder in stand houdt: economische en raciale ongelijkheid, maar ook gender ongelijkheid. De schrikbarende statistieken van seksueel geweld in Zuid-Afrika (zowel huiselijk als niet), maken duidelijk dat de openbare ruimte in het algemeen voor vrouwen misschien nog gevaarlijker is dan voor mannen. Daarnaast is het een economisch probleem, omdat het mobiliteit en de interactie tussen mensen belemmert en daarmee productiviteit remt.

Tot slot is het politiek probleem, in de zin dat het democratisch burgerschap aantast. De publieke ruimte verschraalt en wordt eenvormig als mensen zich daarin niet vrijelijk kunnen bewegen. Het perspectief dat dan overblijft, is dat van mensen die veroordeeld zijn tot deze onveilige ruimte: arme mensen.

  • Ik verwijs in dit essay naar Maurice Merleau-Ponty, Phénoménologie de la Perception (1945). Ik gebruik zelf de Engelse vertaling, Phenomenology of Perception (1963/2002).
  • In een conferentiepaper beweerde ik onlangs dat lichamelijke bewegingsvrijheid een politieke betekenis heeft (zie hier voor het abstract). Dit paper presenteerde ik op de conferentie ‘Justice and the Other’ van de Centre for Phenomenology in South Africa, Cintsa, Oost-Kaap, Zuid-Afrika en op de conferentie ‘Critical Theory in the Humanities. Resonances of the work of Judith Butler’ aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s