Beste witte mensen

Het een uiterst leerzame maar ook pijnlijke oefening als witte persoon eens tot een minderheid te behoren. Ik kan het iedereen die in Nederland tot de witte meerderheid behoort aanraden. Een verkorte versie van dit essay kun je lezen op de website van de filosofische denktank Brainwash.

calimero

Jammer voor de boodschap dat Calimero zwart is

Magtelose minderheid

De plaats van witte mensen in Zuid-Afrika op dit moment is die van de ‘magtelose minderheid’, zei de Afrikaner schrijver en dichter Antjie Krog onlangs in Buitenhof. Het was ongetwijfeld bedoeld om witte mensen – de nazaten van de Nederlandse en Britse koloniale overheersers – hun plaats te wijzen. Het is allerminst een beschrijving van de sociale en economische werkelijkheid. De regering mag dan grotendeels zwart zijn, de kleine witte minderheid (zo’n 10% van de bevolking) bezet onverminderd de sociale, economische en symbolisch-culturele macht.Onwillekeurig citeerde Krog het verongelijkte refrein van witte Zuid-Afrikanen dat zij, desondanks, tot de machteloze minderheid behoren en onderdrukt worden.

Het duurde even voor de betekenis daarvan bij mij indaalde, naïeve Europese linksmens als ik ben. Onlangs was ik bij het openbare afscheidssymposium van een hoogleraar in Pretoria die de sprekers had verzocht hun voordrachten in het Afrikaans te houden. Hij zag het als een vorm van verzet van de machtelozen. Je kunt Afrikaans spreken in het openbaar alleen opvatten als een vorm van verzet, als je het geen probleem vindt om een deel van de wetenschappelijke staf uit te sluiten. Het publiek was uiteraard zo wit als sneeuw.

Tot zeer onlangs was Afrikaans het belangrijkste medium of instruction aan de Universiteit van Pretoria en Stellenbosch. Pas krap een jaar geleden, in juni 2016, is het onderwijstaalbeleid van beide universiteiten herzien, na maanden van heftige studentenprotesten en gewelddadige optreden van de universiteiten daartegen. Het gebruik van Afrikaans zal ‘langzaam uitgefaseerd’ worden, in het jargon van het universiteitsbestuur, en Engels is nu ingevoerd als officiële onderwijstaal. Mijn Zulu buurmeisjes dreunen dan wel het Onze Vader in het Afrikaans op, maar daarmee houdt hun kennis van de taal op. Ruim 85% van de Zuid-Afrikaanse bevolking spreekt geen Afrikaans (zie hier het blogessay dat ik eerder schreef over de rol van taal in de strijd om collectieve identiteiten en kijk hier de aflevering na van de prachtige NPO serie Goede Hoop waarin studenten Afrikaans aan de Universiteit van Stellenbosch verongelijkt reageren op die strijd).

De crisis van de witte man

Het witte zelfmedelijden en ressentiment speelt niet alleen op het niveau van de taal, de bovenbouw dus, maar beslist ook in de basis: de arbeidsmarkt en de economie. Een populaire stijlfiguur in het Afrikaner discours is die van de crisis van de witte man. Veel Afrikaners menen dat zij in het ‘Nieuwe Zuid-Afrika’ door BEE, Black Economic Empowerment – het overheidsbeleid van positieve discriminatie – voortaan achteraan moeten sluiten. Ik zie het, om een existentialistische term van Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir te gebruiken, als de kwade trouw van een groep die de vanzelfsprekendheid van haar privilege ziet aangetast, hoewel dat voorrecht in de praktijk nog steeds recht overeind staat. BEE is de zichtbare aantasting van die vanzelfsprekendheid, maar ondanks haar kracht van wet komt dit beleid in de praktijk vooral neer op een ietwat hinderlijke inspanningsverplichting die een enorme bureaucratie met zich meebrengt, maar nauwelijks leidt tot meer gelijkheid op de arbeidsmarkt en vooral gebruikt lijkt te worden om te legitimeren waarom alle inspanningen niet hebben geleid tot het aannemen van een zwarte medewerker. Sorry, we hebben echt, eerlijk waar, ons stinkende best gedaan, maar konden gewoon geen suitably qualified zwarte kandidaat vinden, zeggen sollicitatiecommissies dan.

Onlangs werd bij de vakgroep waar ik werk een nieuw afdelingshoofd aangenomen, na een lange procedure. Waarom ben ik niet verbaasd dat er weer een witte man is gekozen? Ik wil daarmee niets afdoen aan de eventuele inhoudelijke kwaliteit van de kandidaat die uiteindelijk is geselecteerd. Ik denk overigens dat ikzelf mijn onderzoeksbaan in Zuid-Afrika eveneens te danken heb aan mijn huidskleur en nationaliteit. Ik heb sterk de indruk dat de Universiteit van Pretoria een internationaal postdoctoraal programma in het leven heeft geroepen om niet aan de regels voor BEE te hoeven voldoen (die gelden immers alleen voor binnenlandse werving). In dat geval zou je met enig recht kunnen zeggen dat ik een baan afpak van een zwarte Zuid-Afrikaan.

Positieve discriminatie

De afgunst over BEE is maar al te herkenbaar van de argumenten van critici in Nederland tegen gender mainstreaming en beleid gericht op de evenredige representatie van vrouwen in overheidsfuncties en het bedrijfsleven (overigens verschilt de maatschappelijke en historische context van de positieve discriminatie van vrouwen in Nederland en zwarte burgers in Zuid-Afrika zozeer dat de vergelijking al snel mank gaat). We weten inmiddels wel dat het meestal geen voorgekookte smoezen, kwaadwillendheid of doelbewuste uitsluiting is. Maar waarom vergeet iedereen dan toch steeds opnieuw dat positieve discriminatie altijd een rol speelt, ook wanneer er geen beleid wordt gevoerd? Zonder beleid worden witte mannen automatisch positief gediscrimineerd op de arbeidsmarkt. Is dat even een ongewenste boodschap als je meent louter op grond van je kwaliteiten te zijn gekozen!

Het is een overbekend en hardnekkig probleem van positieve discriminatie dat het leidt tot een backlash tegen gemarginaliseerde groepen, als mensen niet doordrongen zijn van de positief-discriminerende werking van patriarchale en racistische structuren.

Zwarte diamanten

black diamonds

Beoogde leden van de Rand Club, de herensociëteit in Johannesburg die is opgericht door door de Britse mijnmagnaat en imperialist Cecil John Rhodes

De vanzelfsprekendheid van witte dominantie is in post-Apartheid Zuid-Afrika misschien weg, maar de oude apartheidsstructuren zijn nog goeddeels intact. Ze worden alleen afgedekt door een ontsmet discours dat gezuiverd is van het woord ‘ras’, net als van kaffir, swartmens, het swarte gevaar en Bantoestans. Ja, er zijn hier arme witte mensen en rijke zwarte en gekleurde mensen. Deze menstypen worden graag aangehaald als bewijs voor de ‘transformatie’ van post-Apartheid Zuid-Afrika. De zwarte middenklasse wordt aangeduid als black diamonds. Een diamant schittert en is een mooi sieraad. Maar het is de CEO die de diamantmijn exploiteert die de productiemiddelen bezit, om maar eens een klassieke Marxistische term te gebruiken (het voorbeeld van de mijn is overigens niet willekeurig gekozen: in het grondstoffenrijke Zuid-Afrika draait de economie daar goeddeels op). En kapitaal is overwegend wit hier, en daarnaast vaak in handen van multinationals. De zwarte middenklasse is een sprookje. Er zijn inderdaad zwarte burgers met de uiterlijke levensstijl van de middenklasse, inclusief haar consumptiepatroon, maar de grondslag daarvan is krediet, niet loon of kapitaal (‘Black middle class is a myth’, Mail & Guardian, 27 mei 2016). En de witte onderklasse is inderdaad zichtbaarder geworden. Onder Apartheid werden kwetsbare (laagopgeleide en arme) Afrikaners, vooral mannen, van overheidswege flink gesubsidieerd. Eerder schreef ik al in een blog over de historische samenhang tussen het arm blankes vraagstuk en Apartheid. Nu dit beleid na 1991 uiteraard is weggevallen, blijkt niet iedereen zijn eigen broek te kunnen ophouden. Daar komt nog de kwakkelende Zuid-Afrikaanse economie en de zwakke Rand bij. De schuld afschuiven op zwarte en gekleurde mensen is dan een voor de hand liggende rationalisatie voor je eigen falen om je plek in de middenklasse te behouden.

maxresdefault

Still uit de video I Fink U Freeky van de Afrikaner rave act Die Antwoord. Regie door de fotograaf Roger Ballen. De performance van Die Antwoord en de fotografie van Ballen blinken uit in zeer gestileerde evocaties van de witte onderklasse in Zuid-Afrika.

Vreemde plek

Mijn leidinggevende riep onlangs vertwijfeld uit dat je het in Zuid-Afrika als witte persoon, en zeker als docent of hoogleraar, eigenlijk nooit goed kan doen. Ik heb ik me hier inderdaad regelmatig vaak afgevraagd of witte mensen überhaupt iets te zoeken hebben in dat land (dit is geen oproep tot witte genocide, de favoriete complottheorie van radicaal-rechts).

Witte Zuid-Afrikanen vatten deze vertwijfeling vaak samen met in de vraag How do I live in this strange place? Deze regel uit een Boeren reggae song van Bernoldus Niemand uit 1985, is door Rian Malan gebruikt als motto voor zijn ietwat ranzige cult klassieker My Traitor’s Heart (1991) en later door filosoof Samantha Vice als de titel van haar veelbesproken essay uit 2010 over ‘witte onthouding’ (white abstinence). Daarin schrijft ze over het morele mijnenveld dat Zuid-Afrika is voor haar witte bewoners. In die context kunnen witte mensen maar beter helemaal hun mond houden over de politiek van ras, meent zij. Ik begrijp de aanvechting, maar ik zie het eerder als een probleem dan als een oplossing dat witte mensen zich niet uitspreken over ras.

Witte onschuld

Het een uiterst leerzame maar ook pijnlijke oefening als witte persoon eens tot een minderheid te behoren. Ik kan het iedereen die in Nederland tot de witte meerderheid behoort deze challenge, zoals dat heet, tenminste eenmaal in haar leven aan te gaan. Verwacht alleen niet dat het je inzicht zal geven in wat het betekent tot een ‘zwarte’ minderheid te behoren. Wit blijft de symbolische norm, ook als ze numeriek achterblijft. Maar wie zo onbevooroordeeld mogelijk haar situatie onder ogen ziet, zal in elk geval genezen van de liberale fictie dat we aan het einde van de dag toch allemaal mens zijn, dat de ‘categoriesatiedwang’ op basis van huidskleur een ‘benauwde en ouderwetse manier van kijken is’, zoals Jutta Chorus naar aanleiding van Krogs optreden in Buitenhof stelde in NRC (3 april) en dat kleurenblindheid de Verlichte strategie is. Aan ras zijn we nu toch wel eens voorbij? Die overtuiging, zul je dan naar verwachting ontdekken, is niet alleen een massieve en kwalijke ontkenning van de zichtbare sociale werkelijkheid, de obscene ongelijkheid in kwaliteit van leven en levenskansen die grotendeels langs etnische lijnen loopt. Het is ook maar ook een van de vele uitingen van ‘witte onschuld’. Dit begrip is gemunt door Gloria Wekker in haar afscheidsrede juni vorig jaar als hoogleraar aan de faculteit waaraan ik in Nederland verbonden ben, het Gender Programma van de Universiteit Utrecht. Zoals ik het begrijp, is witte onschuld de psychische of emotionele pendant van wit voorrecht: de blauwogige maar hardnekkige weigering het onverdiende privilege van de groep waarin je toevallig geboren bent onder ogen te zien.

Van racisme in de zin van witte superioriteit hoeft daarbij helemaal geen sprake te zijn. Verschillende zwarte studenten hebben me bij verschillende gelegenheden verteld over hun ervaringen met witte medestudenten, en die verhalen waren opvallend gelijkluidend. Aanvankelijk maakten ze evenveel witte als zwarte vrienden op de universiteit. Etnische identiteit leek geen rol te spelen in de omgang. Tot het onbegrip van hun witte vrienden toenam. Waarom wentel je je toch zo in een slachtofferrol? Je hebt Apartheid toch helemaal niet meegemaakt? En iedereen heeft hier nu toch dezelfde formele kansen? Het feit dat jij hier studeert, laat dat toch precies zien? Waarom doen niet alle zwarte mensen evenzeer hun best als jij? Ik moet toch ook hard werken om succesvol te zijn? Als je niet je best doet, blijf je natuurlijk altijd gevangen in armoede, maar is dat in deze tijd dan niet je eigen schuld? Deze zwarte studenten raakten het op een gegeven moment beu zich steeds te moeten verdedigen tegenover witte mensen die ‘het nog steeds niet zien’: witte onschuld.

Bijziendheid

Een staaltje van dezelfde witte onschuld was de bijdrage van een universitair hoofddocent filosofie aan de University of Johannesburg aan een verhitte discussie die sinds enkele maanden de academisch filosofische wereld in Zuid-Afrika in een existentiële crisis heeft gestort. Aanleiding was een panel tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de Philosophical Society of South Africa over ‘Zuid-Afrikaanse identiteit’ dat louter witte sprekers en een witte moderator had. Diverse leden, waaronder de (overigens witte) voorzitter zegden hun lidmaatschap op of legden hun bestuursfunctie neer, waarmee de vereniging praktisch ter ziele is.

In een opiniestuk stelde de betreffende filosoof dat wie meent dat de etnische situering van filosofen er toe doet, zich schuldig maakt aan kortzichtigheid (parochialism) en rassendenken (racialism). Een dergelijk denken is ‘gevaarlijk’ en ‘sinister’, betoogde hij, omdat het ‘de ander’ objectiveert en mensen reduceert tot hun etniciteit. Daarmee wordt xenofobie gerechtvaardigd. Wie gemotiveerd wordt door wit schuldgevoel, doet eigenlijk precies hetzelfde als racisten (het ontging deze filosoof kennelijk dat de deelnemers aan de discussie niet allemaal wit waren).

Vervolgens betoogde hij dat iemands ervaringen als lid van een groep (zwart, vrouw) die wordt gemarginaliseerd, hem of haar nog niet het gezag geeft over uitsluiting en overheersing van deze groep te spreken. De situering van de spreker doet er niet toe, de filosoof streeft in haar oordeel waarheid na, meende hij (ik denk trouwens dat dat een misvatting is, oordelen, althans morele en politieke oordelen, doen geen waarheidsclaim). Inderdaad, zwart, vrouw of homo zijn geeft je niet automatisch een scherper beeld van uitsluiting of onderdrukking op grond van gender, etniciteit of seksualiteit. Als mensen zijn we altijd gesitueerd, dus niemand spreekt vanuit een positie van onschuld of belangeloosheid. Dat geldt zowel voor mensen die tot de dominante als die tot de niet-dominante groep behoren. Dat maakt nu precies dat we meerdere, verschillende perspectieven nodig hebben. Misschien vanwege de aard van hun vakgebied, lijken filosofen dat wel moeilijker te begrijpen dan andere mensen. Dat was althans de indruk van Hannah Arendt, die om die reden ook weigerde zichzelf een politiek filosoof te noemen. Dat multiperspectivisme is al helemaal van belang als het gaat om maatschappelijke kwesties die moreel en politiek relevant zijn, zoals de vraag wat ‘de’ Zuid-Afrikaanse identiteit op dit moment in godsnaam behelst of kan behelzen. Als alleen witte mensen spreken over wat het betekent Zuid-Afrikaan te zijn, in deze tijd, krijg je een eenzijdig beeld, net zoals je dat krijgt wanneer alleen zwarte mensen daarover spreken.

Antiracisme betekent kleurenblind worden, vinden veel vooruitstrevende mensen. Dat zou inderdaad een goed idee zijn als het mogelijk is geen onderscheid te maken tussen mensen op grond van hun huidskleur. Maar kleur blijkt taaier dan veel van ons wel zouden willen. Kleurenblindheid is een vorm van bijziendheid die in de context van grote empirische ongelijkheid in de praktijk vooral mensen dient die behoren tot de groep die in maatschappelijk opzicht dominant is en de norm representeren. Witte mensen dus.

Best practices

Om nog eens terug te komen op mijn twijfel of witte mensen wel iets te zoeken hebben in Zuid-Afrika. In optimistische buien (die alleen niet de overhand hebben) denk ik soms: misschien wel, afhankelijk van de manier waarop ze hun voorrecht inzetten. Ik heb gedurende mijn verblijf in dit land uitgebreid informeel antropologisch onderzoek gedaan naar de witte Zuid-Afrikaan in zijn natuurlijke omgeving en ben op zoek gegaan naar concrete exemplarische voorbeelden van witheid.

Zo vond ik daar het Afrikaner hoofd van de kunsthistorische afdeling van de openbare bibliotheek in het centrum van Johannesburg. Enkele jaren geleden is hij een openbaar atelier begonnen in de bibliotheek. Iedereen met artistieke ambities kan daar gratis (maar niet vrijblijvend) gebruik maken van een werkplaats, met expositieruimte. Het trekt een vaste toegewijde groep van getalenteerde zwarte jongens uit de buurt, die zich beslist geen betaalde atelierruimte kunnen veroorloven en zo een netwerk kunnen opbouwen. Nu vormen ze het Michaelis Art Collective.

14125774_291815847859648_4464125255331329799_o

De wekelijkse markt van het Michaelis Art collective bij City Perk Cafe, op een steenworp afstand van de thuisbasis, de Johannesburg Central Library. Op de foto kunstenaars Lungisa Matubatuba (op de rug) en Mongezi Ncombo (zittend)

En ik sprak onlangs op de jaarlijkse conferentie van het Center for Phenomenology in South Africa. De fine fleur van de Zuid-Afrikaanse academisch filosofische gemeenschap had zich hier verzameld, in een paradijslijk conferentieoord aan de Indische Oceaan, in het voormalige tuisland Transkei, in de Oost-Kaap. Ik verwachtte een vrijwel uitsluitend wit gezelschap, en louter conceptuele discussies. Maar tot mijn grote genoegen waren de conferentiebezoekers heel divers, en lag de politiek van ras gedurende de hele conferentie openlijk op tafel. Door de rel rond de Philosophical Society of South Africa kon het onderwerp simpelweg niet meer genegeerd worden. De organisator, een witte mannelijke hoogleraar filosofie aan de naburige universiteit van Fort Hare, opende de conferentie met een verontschuldiging: als witte man zou ik hier helemaal niet moeten staan. Dat vond ik aanvankelijk even gratuit als Adele die tijdens de Grammy uitreikingen zei dat de prijs ‘eigenlijk’ naar Beyonce had moeten gaan (sarcastische stemmen vroegen zich gelijk af waarom Adele daar dan stond en de prijs niet daadwerkelijk aan Beyonce had doorgegeven). Maar dat veranderde toen ik het programma bekeek, dat opvallend gebalanceerd was, met twee zwarte en een witte vrouwelijke keynote spreker, en panels met papers die aan verschillende stemmen de ruimte gaven.

Ik kende het werk van de witte mannelijke hoogleraar overigens al vanwege een spannend artikel over ‘Heidegger in de township’ , waarin hij onderzoekt wat voor filosofische gevolgen het zou hebben als de Duitse fenomenoloog Martin Heidegger (1889-1976) zijn werk zou hebben geschreven vanuit het perspectief van het dagelijkse leven van bewoners van een township (in plaats van een duf Duits universiteitsstadje of een blokhut in het Zwarte Woud).

Alexandra.jpg

heideggers-hc3bctte

Crawfordbeachlodge

Het maakt nogal wat uit vanuit welke positie (‘gesitueerdheid’) de filosoof schrijft. Boven: de township Alexandra, Johannesburg. Midden: de hut van Heidegger op de Tadtnauberg, Zwarte Woud, Duitsland. Onder: het strandoord waar de conferentie van de Center for Phenomenology in South Africa werd gehouden in Cintsa, Oost-Kaap.

De eerder genoemde universitair hoofddocent filosofie uit Johannesburg behoorde trouwens ook tot het organiserende comité. Hij was nergens te bekennen. Dat voedde de speculatie dat hij de discussie over kleurenblindheid uit de weg ging.

Zijn collega-organisator had ook een groep getalenteerde studenten meegenomen, die allemaal zwart waren (een prettige verrassing voor mij, omdat de studenten filosofie in Pretoria op twee na allemaal wit zijn). Het thema van de conferentie, ‘Justice and the Other’ was goedgekozen en zorgde er voor dat ook witte mensen zich eens uitspraken. Het kan het frisse oceaanbriesje zijn geweest, maar hoe dan ook voelde ik een enorme opluchting, alsof de stoffige ramen even werden opengezet. Ik heb in Zuid-Afrika vooral in het gezelschap van witte mensen vaak een enorme benauwdheid ervaren. Het is me opgevallen dat zwarte mensen in gesprek veel sneller, openhartiger en met minder omhaal het beestje bij de naam noemen. Hier werd pittig gediscussieerd, en de sfeer was af en toe gespannen, maar de politiek van ras lag tenminste openlijk op tafel.

En daarmee zijn de best practices die ik op het spoor ben gekomen wel zo ongeveer uitgeput.

Post-racialism

We leven helemaal niet in een post-raciale wereld. Vooral witte mensen hebben alleen een tijdje niet over ras gesproken, dat wil zeggen: ze hebben het wegverklaard met de vaak goedbedoelde liberale fictie van kleurenblindheid. Maar door het te verzwijgen verdwijnt een probleem meestal niet. Een psychologisch cliché leert ons dat kwesties dan eerder gaan woekeren en hoe dan ook een andere, meestal gewelddadige, uitweg vinden. De objecten van dat geweld zijn precies de mensen die toch al gemarginaliseerd waren.

Onlangs woonde ik een lezing van rechtstheoreticus Joel Modiri bij op de Universiteit van Pretoria die stelde dat ‘ras’ in de Zuid-Afrikaanse academie conceptueel niet serieus wordt genomen. Dat begreep ik toen niet: ik durf de stelling aan dat ‘ras’ het meest besproken onderwerp is in academische en publieke debatten in Zuid-Afrika op dit moment. Later begon ik pas langzaam te begrijpen wat hij bedoelde, toen ik verschillende goedbedoelde mensen hoorde beweren: ‘Ik geloof niet in ras’. Dat ras geen biologisch fundament heeft, en een sociale constructie is, betekent nog niet dat het geen geleefde werkelijkheid is die z’n beslag heeft gekregen in allerlei taaie symbolische, maatschappelijke, en economische structuren.

Witwassen

Ik heb veel geleerd van mijn minderheidspositie in Zuid-Afrika. In Nederland kleurloos, werd ik dáár ten eerste pas wit.

Dit witwas effect is in Zuid-Afrika sterker dan in andere Afrikaanse landen, heb ik begrepen van witte mensen die over het hele continent hebben gereisd. Ik vermoed dat dat te maken heeft met de unieke Zuid-Afrikaanse kolonisatiegeschiedenis. Ten eerste was er hier sprake van settler colonialism: Europeanen kwamen – en bleven. Losgeslagen VOC-ers trokken de binnenlanden in en vestigden zich er permanent. Later volgden de Britten die de enorme grondstoffenrijkdom van het land ontdekten. Ook de dekolonisatie verliep anders. Beter gezegd: het imperialisme kneep er stiekem tussenuit, zonder een bevrijdingsoorlog. In 1961 werd het land na een referendum kalmpjes onafhankelijk van het Britse Rijk. De geschiedenis van Zuid-Afrika voltrok zich in de tweede helft van de 20e eeuw in omgekeerde richting, leek wel. Terwijl de andere Afrikaanse landen hun onafhankelijkheid op de koloniale mogendheden bevochten, kreeg hier in 1948 een regime zijn beslag dat het kolonialisme achter zich liet in onderdrukking van en wreedheden tegen de zwarte bevolking. Van een vreemde macht was alleen niet langer sprake: hoewel ontworpen door de nazaten van de Nederlandse kolonisten, was Apartheid van lokale makelij. De bevrijding van deze politieke vorm van witte superioriteit is van veel recenter datum dan de dekolonisatie op de rest van het continent. Ondanks het werk van de Waarheids- en Verzoeningscommissie, staat de Vergangenheitsbewältigung van het Apartheidsverleden nog maar aan het begin. Het trauma van de witte overheersing is dus verser. En hoe dan ook is de witte minderheid nergens op dit continent zo groot als in Zuid-Afrika. Geen wonder dat de kleurobsessie hier dus groter is.

Visuele aandoeningen

En ten tweede mag ik graag denken dat ik daardoor beter, scherper heb leren zien. Of in elk geval dan toch meer inzicht heb gekregen in de oneindige variëteit aan ideologische vertekeningen van de blik: kleurenblindheid, bijziendheid, blikvernauwingen, stoffige ramen, blinde vlekken… Ik betwijfel of ik zelf vrij ben van deze visuele aandoeningen en ‘het’ als een van de weinige witte mensen ‘wel zie’. Het lastige van een blinde vlek is immers nu juist dat je ‘m zelf niet ziet en er door anderen op gewezen moet worden. En zoals bekend, is psychische of emotionele weerstand de meest voorkomende reactie daarop.

Na de opleving van zwart protest wereldwijd, zijn witte mensen nu aan zet. Dat levert misschien ongelukkige pogingen op, zoals die van de Johannesburgse filosoof, maar het goede is dat die pogingen weersproken kunnen worden nu ze open liggen. Wel jammer dat zijn critici tot nu toe louter zwart waren. In dit essay heb ik geprobeerd een witte stem toe te voegen aan de kritiek. Want ik denk dat het tijd is dat witte mensen elkaar eens gaan aanspreken op op elkaars niet-onderkende visuele stoornissen.


dear-white-people-poster-5

  • De titel van dit essay heb ik ontleend aan de satirische film Dear White people (VS, 2014, regisseur: Justin Simien). Deze film spreekt witte kijkers aan vanuit een zwart perspectief. In bovenstaand blog schrijf ik vanuit de omgekeerde situatie – een wit gezicht in een zwarte ruimte – en adresseer ik witte lezers vanuit een wit perspectief.
  • Samantha Vice (2010), ‘How Do I Live in this Strange Place?’, Journal of Social Philosophy, Vol. 41, No. 3, pp. 323–42.
  • Gloria Wekker (2016), White Innocence. Paradoxes of Colonialism and Race. Duke University Press.
  • Olivier, Abraham (2015), ‘Heidegger in de Township’, South African Journal of Philosophy 34(2): 240–54.
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s