De waarheid – van bovenaf

Kun je de waarheid over ongelijkheid en armoede zien van boven- of buitenaf, vraag ik me af naar aanleiding van Johnny Millers fotoserie van Zuid-Afrikaanse metropolen vanuit de lucht.

Miller unequal scenes Alexandra Sandton.png

Alexandra / Sandton (Johannesburg), uit de serie Unequal Scenes, Johnny Miller, SA, 2016

Ik ontdekte onlangs het Afrika Blog van de Volkskrant (bedankt, mam!). Daar las ik een artikel over een fotoserie van Zuid-Afrikaanse metropolen vanuit de lucht, getiteld Unequal Scenes (2016), van de Amerikaanse fotograaf Johnny Miller.

Miller zegt het volgende over zijn fotoserie:

Discrepancies in how people live are sometimes hard to see from the ground. The beauty of being able to fly is to see things from a new perspective – to see things as they really are. Looking straight down from a height of several hundred meters, incredible scenes of inequality emerge. Some communities have been expressly designed with separation in mind, and some have grown more or less organically… My desire with this project is to portray the most Unequal Scenes in South Africa as objectively as possible. By providing a new perspective on an old problem, I hope to provoke a dialogue which can begin to address the issues of inequality and disenfranchisement in a constructive and peaceful way.

Wat de foto’s laten zien is, ten eerste, een ruimtelijke segregatie waarvan de mate niet onderdoet voor die onder Apartheid.

Ten tweede zien we de grote nabijheid van rijk en arm. De sloppenwijken en townships rukken op in de richting van de sjieke buurten (in Johannesburg vaak de leafy suburbs genoemd, de lommerrijke buitenwijken waar de rijken wonen). Deze nabijheid is juist groter onder Apartheid, toen de townships juist ver van stadscentra werden gevestigd, en de tuislande in de onmogelijkste uithoeken van het land. Strikt genomen kun je dit op de foto’s natuurlijk niet zien. Daarvoor zouden we luchtfoto’s van dezelfde plekken door de jaren heen moeten zien, liefst van voor 1913 (toen de Native Land Act werd aangenomen), door de jaren van Apartheid heen (1948-1994), na de implementatie van de Group Areas Act (1955), en vanaf 1994 bijvoorbeeld ieder jaar. Maar historische kennis over de ruimtelijke ordening in stedelijke gebieden vult mijn kijkervaring aan.

De foto’s raken me buitengewoon. Tegelijk wist ik natuurlijk dat het zo is (dat zegt de fotograaf ook zelf). De wijk op de foto hierboven, Alexandra (‘Alex’) ken ik zelf. Ze staat ook centraal in de tweede aflevering over ‘de xenofoob’ van Bram Vermeulens serie De Trek die de VPRO onlangs uitzond. Mijn partner en ik huurden eens een auto in de buurt van Alex. We stopten bij een hamburgertent direct aan de snelweg om koffie te drinken. Het personeel werd van de klanten gescheiden door gewapend glas. Onze koffie kregen we zoals je vroeger in Nederland geld kreeg bij het postkantoor of de bank, via een soort kleine sluis. Alex ligt pal naast het grootkapitaal in de zakenwijk Sandton.

Boos

Ik zou het in Zuid-Afrika vaak willen uitschreeuwen tegen vooral witte mensen daar: kijk alsjeblieft eens om je heen! Gewoon goed, met aandacht en precies kijken. Je hoeft de townships en sloppenwijken niet zelf in (vaak te gevaarlijk), maar gewoon links en rechts kijken als je op de snelweg rijdt (deze oefening in ‘denken in de breedte’ raad ik alleen aan bijrijders aan). En, wat vind je er van? [over representatief denken, ofwel denken in de breedte, schreef ik hier].

Ik weet dat dit type shock treatment zijn doel meestal niet bereikt. Je moet er al gevoelig voor zijn. In de woorden van een groot Nederlands filosoof, ‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt’. Om als geprivilegieerd persoon in Zuid-Afrika te leven zonder voortdurend geschokt te worden, moet je je immers actief afsluiten voor armoede en sociaal-economische en raciale ongelijkheid, en daar een gewoonte van maken. Een Afrikaanse kennis uit Pretoria vertelde me eens dat haar tante terug kwam van een vakantie in India, en aangedaan was door de zichtbare armoede die ze daar aantrof. Mijn kennis kreeg haar tante niet aan haar verstand gepeuterd dat het hier, in Zuid-Afrika, zeker niet anders was. Het is dan ook veelzeggend dat deze foto’s door een Amerikaan zijn gemaakt, niet door een Zuid-Afrikaan.

Helikoptervisie  

De fotograaf maakte de foto’s met een drone (ofwel een hommeltuig, in goed Afrikaans). In een interview met de fotograaf wordt gesproken over een bird-eye’s view of the truth – een helikoptervisie op de waarheid over post-Apartheids Zuid-Afrika. Wat deze foto’s bijzonder maakt is inderdaad de afstand. De kijker ziet geen mensen, arme noch rijke, witte noch zwarte, maar louter de indeling van de stedelijke ruimte en de structuren, patronen en contrasten daarin. Dat is de kracht ervan, want door hun afstandelijkheid voegen ze iets toe aan de close-ups van individuen waar we als mediaconsumenten zeer vertrouwd mee zijn.

Tegelijkertijd verhult de afstandelijkheid – van luchtfoto’s, maar ook de blik vanaf de snelweg – ook iets. De zeggingskracht ervan is groot, maar niet totaal. Foto’s (maar zelfs de menselijke blik überhaupt) vertellen, per definitie, nooit de hele waarheid. Daarmee bedoel ik niet dat deze foto’s gemanipuleerd zouden zijn.

De politiek van fotografie

We zien de dingen niet ‘as they really are’. Iedereen die zich professioneel of academisch met visuele representaties bezig houdt, net als de consument ervan die maar even stil staat bij de praktijk van het kijken (het bekijken van foto’s en film) weet dit, denk ik. Dat geldt in eerste instantie vooral voor close ups van lijdende lichamen. In een belangrijk essaybundel uit 1977, On Photography en het vervolg daarop uit 2003, Regarding the Pain of Others, legt de Amerikaanse publieke intellectueel Susan Sontag een aantal veelvoorkomende misverstanden en vooroordelen over fotografie bloot, met name over foto’s die ons het lijden van anderen laten zien. De belangrijkste misvattingen zijn wel dat foto’s een onmiddellijke afspiegeling van de werkelijkheid zouden zijn, en dat foto’s moreel eenduidig zouden zijn.

Beelden kunnen wel degelijk liegen, en die leugen is niet altijd gemakkelijk als zodanig te herkennen vanwege het medium zelf, de fotografie, waar de krachtige suggestie van uitgaat dat het een zuivere of zelfs objectieve registratie is van de werkelijkheid. Alsof de fotograaf louter het menselijke verlengstuk is van haar camera, louter dienstig aan de techniek, de indrukker van een knop. Als we kijken naar foto’s, vergeten we gemakkelijk dat we naar een beeld kijken, een representatie van de werkelijkheid, niet naar de werkelijkheid zelf (wat die ook moge zijn). Foto’s lijken namelijk helemaal niet op een beeld, maar een directe, onbemiddelde (on-middel-lijke), weergave van de werkelijkheid te zijn. Of anders gezegd: foto’s wekken de suggestie geen kopie te zijn, maar het origineel zelf direct weer te geven. Dat is denk ik de paradox van fotografie: dat het een onmiddellijke medium is, een bemiddelde directheid.

Selectie

Foto’s tonen altijd een selectie en een kadrering van de werkelijkheid. Daardoor kunnen ze eenzijdig zijn, decontextualiseren en inspelen op een al veel eerder aangelegd collectief referentiekader. Foto’s van lijden zijn vaak echo’s of citaten van andere foto’s die eerder bestaande verwachtingen illustreren en bevestigen, dan zuivere reflecties van de werkelijkheid. In zulke gevallen sterken ze kijkers vooral in hun al bestaande overtuigingen (inderdaad: je ziet het omdat je het doorhebt). Wanneer dergelijke foto’s uit hun context worden gehaald, kunnen ze misleidend, manipulatief of propagandistisch worden. Maar selectie is per definitie onontkoombaar.

Dat is een van de redenen dat de foto’s van de Zuid-Afrikaanse fotograaf David Goldblatt vaak zo goed zijn, nog los van hun ontegenzeggelijke hoge technisch-fotografische en artistieke kwaliteit: de bijschriften. Daarin beschrijft hij zakelijk en gedetailleerd wat en vooral wie – met naam en toenaam – we zien, zonder grote woorden waarin hij zijn duiding aan de kijker opdringt. Die laatste moet zelf maar oordelen.

Wat ik de ‘politiek van fotografie’ noem, verwijst naar het ‘werk’ van de fotograaf (die selecteert, met de kijker in het achterhoofd), naar de kijker (die de beelden interpreteert op grond van verwachtingen en overtuigingen) en naar de context. Die context delen fotograaf en kijker en ze bestaat uit historisch gegroeide instituties (bijvoorbeeld media en overheden) en wereldvisies. Zo plaatsen beelden van vermoordde zwarte lichamen in Afrikaanse burgeroorlogen en genociden de westerse mediaconsument in de positie van iemand die kijkt en Afrikanen in de positie van mensen die weliswaar gezien worden, maar zelf niet kijken. Europeanen zullen, beslist niet alleen opzettelijk, al snel bevestigd worden in vooroordelen over postkoloniaal en post-Apartheid Afrika als onbeschaafd en daarmee van de superioriteit van ‘onze’ Westerse beschaving en identiteit als verlicht, redelijk en egalitair. De postkoloniale Palestijnse literatuurwetenschapper Edward Said, heeft dit verschijnsel benoemd als oriëntalisme: het scheppen en bevestigen van een eigen positieve culturele identiteit (‘Wij Europeanen’) en een subjectpositie door het construeren van een primitieve ‘ander’ (Afrikanen) in de objectpositie.

miller_unequal-scenes_hout-bay-imizamo-yethu

Hout Bay / Imizamo Yethu (Kaapstad), uit de serie Unequal Scenes, Johnny Miller, 2016

Afstand

Er is dus alle reden terughoudend te zijn bij het maken en bekijken (interpreteren) van beelden van het concrete lijden van andere mensen. Ik weet niet of we even mediawijs zijn als het gaat om beelden van een afstand. Millers foto’s lijken te ontkomen aan de valkuilen die ik hierboven noem. Zijn fotoserie toont geen lijdende lichamen – sterker nog, het toont helemaal geen mensen. We kunnen dat lijden hoogstens afleiden uit de ruimtelijke patronen die we zien. Of dat denken we althans.

Maar door zo sterk uit te zoomen dat alleen nog patronen zichtbaar zijn, maken Millers foto’s segregatie en ongelijkheid abstract.

De golfplaten daken die we zien in Millers foto’s vertellen nog niet hoe mensen die daar wonen hun leven leiden en hoe ze dat zelf ervaren. Ik veronderstel dat als je er op uit zou trekken deze wijken in, en met de bewoners van de krotten zou gaan praten over hun leven, je veel misère te horen en te zien krijgt: geweld, moord, mishandeling en seksueel misbruik op dagelijkse basis en de gerechtvaardigde angst daarvoor, armoede, werkloosheid, drankmisbruik, drugsverslaving, kinderen die geen fatsoenlijk basisonderwijs krijgen, afwezige vaders, gebrekkige basisvoorzieningen, vuil… Maar daarnaast, verwacht ik, zijn er ook mensen die het desalniettemin lukt een enigszins waardig bestaan op te bouwen, hun kinderen een goede opvoeding te geven en die een zekere hechting hebben aan de plek waar ze – misschien tegen hun zin, maar soms misschien ook niet – wonen.

Wat de foto’s ook niet laten zien is dat zelfs deze wijken verschillen kennen. De beroemde township Soweto bij Johannesburg, bijvoorbeeld kent naast arme ook rijke wijken. Zelfs in Alex, bijvoorbeeld, zijn er wijkje waar mensen een eigen huisje hebben, met een tuintje, en waar het relatief veilig en prettig is om te wonen.

Een deel van de kunstenaars met wie mijn partner werkt in zijn galerie The 13th Floor komt Alexandra en Diepsloot (Johannesburg) en Mamelodi (Pretoria/Tshwane). Het zijn zeer gedreven en leerzuchtige personen, met een duidelijk doel voor ogen en grote ambities, ondanks de armoede waarin ze leven.

Ik haal deze voorbeelden niet aan om sterke personen tot voorbeeld te stellen aan de anderen: eigen schuld, dikke bult, want kijk, als je maar wilt en hard genoeg je best doet, dan kun je je eigenhandig uit de misère opwerken. ‘Poverty is a choice – and a bad one at that’, zoals de dichter Gordon Bromet onlangs sarcastisch opmerkte in een spoken word performance tijdens het IDFA, voorafgaand aan de vertoning van de documentaire The Giant is Falling van de Zuid-Afrikaanse filmmaker Rehad Desai (2016). [zie hier een interview met Desai over zijn film op het al genoemde Afrikablog]

Evenmin wil ik hun situatie romantiseren, door te wijzen op de sterke familiebanden bijvoorbeeld. Dat getuigt van valse sentimentaliteit, die vooral dient om onszelf gerust te stellen. (Extreme) armoede is onwaardig, er is niets moois en goeds aan. Ik heb een diepe afkeer van het diep-christelijke idee dat lijden waardig en betekenisvol is. Het is mij opgevallen dat armoede weerzin, walging en een soort smetvrees oproept. In moreel opzicht is die smetvrees verwerpelijk en in politiek opzicht leidt het tot arrogantie, zelfverrijking en verraad aan de onderklasse, maar het wijst ook op de wat mij betreft juiste intuïtie dat armoede weerzinwekkend, walgelijk en lelijk is. Zo moet het niet zijn. Om de recente winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur te citeren, when somethin’s not right it’s wrong.

Noch, andersom, wil ik de eigen verantwoordelijkheid die mensen hebben voor hun leven ontkennen. Dat gevaar ligt op de loer als foto’s bij de kijker medelijden opwekken.

Mijn punt hier is existentiëler. Ik ben in Zuid-Afrika veel voorzichter geworden met het doen van uitspraken over de kwaliteit van het leven van andere mensen. Ik heb voor mijzelf vaak het lot beklaagd van, bijvoorbeeld, de daklozen in de binnenstad van Johannesburg, maar ben me steeds meer gaan afvragen of je eigenlijk wel van buitenaf een uitspraak kunt doen over de situatie, het bestaan van mensen. Of wat je eigenlijk doet als je dat doet, of het wel in orde is.

Zeker wanneer je zo geboft hebt in het leven als ik, schrik je je rot als je de townships en informal settlements ziet, of zelfs al het centrum van Johannesburg, of Pretoria (dit zijn de twee steden die ik naast Kaapstad inmiddels een beetje ken). Het kost moeite om geen ongedifferentieerde massa lijdende anonieme lichamen te zien, ontdaan van actorschap (zie ook mijn blog over de politiek van stank en lawaai). Ik knoop ook geen praatje aan met de daklozen wier lot ik zo beklaag. Ik veronderstel dat elementair fatsoen in dergelijke situaties eist om daar niet in te gaan wroeten (zie 2 IDFA documentaires: wie dat fatsoen negeert en dat artistiek weet vorm te geven). Maar kennelijk ga ik er dus toch van uit ga dat hun leven ellendig is (en ja, mijn bewustzijn van mijn huidskleur speelt een rol – want natuurlijk is dat in de ogen van anderen en van mijzelf een teken van voorrecht).

Creatieve technieken

Waar je dan op zo’n moment geen oog voor hebt (en wat je ook niet vanuit de lucht kunt zien), is voor de creatieve technieken en de collectieve en tamelijk succesvolle risicobeheersingsstrategieën van bijvoorbeeld de Ethiopische kooplui een aantal blokken verderop. Ethiopiërs zijn in Johannesburg zonder enige twijfel gemarginaliseerd (net als veel andere migranten van het continent). Zij vormen een etnische enclave van Ethiopische bedrijfjes en winkels. Het Ethiopische kwartier (in de volksmond Jeppe genoemd) is een florerende maar wel informele ‘micro-economie’. Het grootste deel van de Ethiopiërs in Johannesburg is papierloos, hun bedrijfspanden zijn gekraakt, en hun waren illegaal: goedkope Chinese namaakproducten, met name kleding, die als twee druppels water lijken op die van designer merken en grote Europese en Amerikaanse sportmerken. Fonkong dus. Dat betekent dat deze migranten vogelvrij zijn, niet alleen in aanvaringen met Zuid-Afrikaanse burgers, maar ook met de gemeentelijke wetshandhavers. De politie is berucht om het chanteren van ongedocumenteerde winkeleigenaren, en om willekeurige invallen in winkels, waar agenten goederen innemen om ze vervolgens enkele uren later aan dezelfde winkeleigenaar ‘te koop’ aan te bieden, uiteraard tegen een veel hogere prijs. De migranten zijn noodgedwongen flexibel en vindingrijk en verzinnen strategieën om zich aan steeds gewijzigde omstandigheden aan te passen, dus om risico’s te beheersen en kansen te vergroten. Daar hoort onder meer het strategisch calculeren bij van het afdragen van steekpenningen, of ‘cool drinks’, zoals dat in Johannesburg heet. Deze situatie biedt de migranten naast nadelen en risico’s ook zekere voordelen. Omdat de handel en de handelaren ongereguleerd zijn, is er ook veel mogelijk.

Het is dus niet (helemaal) juist om te stellen dat deze migranten zich lijdzaam schikken naar hun situatie. Ook arme Zuid-Afrikaanse burgers beschikken over actorschap door te putten uit een rijke protesttraditie. De Zuid-Afrika specialist Bart Luirink (o.a. ZAM Magazine) stelde tijdens het nagesprek bij The Giant is Falling op het IDFA dat collectief protest ‘in het DNA’ van zwarte en gekleurde Zuid-Afrikanen zit. Dat is natuurlijk figuurlijk bedoeld, want het gaat niet om een biologische, maar om een historische erfenis: Apartheid.

Armoede

Bij foto’s over ongelijkheid, onrecht en lijden is nabijheid dus al snel te nabij, en afstand als snel te afstandelijk. Waar foto’s die inzoomen op lijdende lichamen vatbaar zijn voor manipulatie voor ideologische doeleinden, abstraheren foto’s die uitzoomen van de geleefde werkelijkheid van mensen.

Valt er dan niets te zeggen naar aanleiding van de fotoserie? Toch wel. Dat segregatie, extreme ongelijkheid en armoede politieke problemen zijn, die om een politieke analyse vragen, alleen al om de simpele reden dat armoede vrijwel altijd door mensen is gemaakt. De segregatie die we zien, is het directe gevolg van Apartheidswetgeving en beleidsmaatregelen. De post-Apartheids segregatie vraagt ook om een historische analyse, die tenminste terug moet gaan tot 1652, het jaar dat de Hollanders voet aan wal zetten in de Tafelbaai.

Met een politiek probleem bedoel ik hier niet alleen dat het vraagt om herverdeling, van kansen op goed onderwijs, te beginnen met basisonderwijs, land en welvaart en om de aanpak van de endemische politieke corruptie die een kleine groep verrijkt ten koste van de rest. Voorbeelden zijn het invoeren van een minimumloon (helaas reageerde de staat onlangs afwijzend op het rapport van een commissie onlangs die de mogelijkheid daarvan onderzocht: het zou ten koste gaan van banen). En belastinghervormingen, of om te beginnen het zorgen dat belastingafdracht überhaupt plaats vindt.

Met politiek bedoel ik vooral dat het aandringt op een discussie over de wereld waarin we met elkaar willen leven. En over het engagement van geprivilegieerde mensen die zich solidair verklaren met de protesten van armen (over de valkuilen dáár weer van schrijf ik bij gelegenheid nog eens een essay). Dat kan niet wachten tot de herverdeling geslaagd en de corruptie bestreden is.

Verhalen

Ik heb laten zien dat foto’s van armoede en ongelijkheid zowel onthullen als verhullen.

De fotografische verbeelding van lijden verbindt door de aard van het medium (bemiddeling) een kunstzinnige en een journalistieke benadering. Maar volgens Susan Sontag kunnen foto’s in tegenstelling tot de literaire verbeelding van de werkelijkheid geen verhaal vertellen. Mijn conclusie is dat noch foto’s, noch romans alleen ons inzicht kunnen geven in ongelijkheid. Zie hier het belang van documentaire films, zoals de genoemde film van Desai en de serie De Trek en van portretseries als Slice of Life. Geen foto, geen boek, geen documentaire kan op zichzelf recht doen aan de complexiteit en het duizelingwekkende veelheid aan perspectieven dat je kunt innemen op welke kwestie dan ook. Daarom moeten we, vind ik, veel en gevarieerd lezen en kijken – en zelf nadenken. Dat veronderstelt overigens wel een veelvormig media-aanbod (inclusief kunst en fictie).


  • Ik spreek in dit blogbericht doelbewust over extreme armoede. Welke armoede extreem is en welke niet, is uiteraard niet louter met een simpel criterium als leefgeld per dag te bepalen, maar of iemand in extreme armoede leeft, is meestal zonder veel controverse te bepalen. Het toont zich. We herkennen het direct als we het zien. De politieke en morele vragen die niet-extreme armoede en ongelijkheid oproepen zijn veel ingewikkelder.
  • In dit artikel gebruikte ik de volgende teksten van Susan Sontag:
    • Susan Sontag (1977), On Photography, New York: Farrar, Straus & Giroux.
    • Susan Sontag (2003), Regarding the Pain of Others, New York: Farrar, Straus & Giroux.
  • Wat ik schrijf over de risicobeheersingsstrategieën van Ethiopische migranten in Johannesburg, ontleen ik aan de volgende artikelen van Tanja Zack (ik schreef eerder over deze urban planner en wetenschapper in het blogbericht over Anstey’s)
    • Tanya Zack (2015), ‘‘Jeppe’—Where low-end globalisation, ethnic entrepreneurialism and the arrival city meet’, Urban Forum 26: 131–150.
    • Tanya Zack & Yordanos Seifu Estifanos (2015), ‘Somewhere else: social connection and dislocation of Ethiopian migrants in Johannesburg’, African and Black Diaspora: An International Journal, DOI: 10.1080/17528631.2015.1083179
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s