Oordelen in grauwe tijden

In het voorgaande blogbericht, De schok van de ervaring, stelde ik in navolging van Hannah Arendt dat we niet onze oordelen achterwege moeten laten, maar ons oordeelsvermogen – dus onze verbeelding en kritisch denken – juist moeten aanscherpen, trainen en cultiveren. Veel mensen vinden dit schokkend en zijn bang dat oordelen alleen maar de polarisering tussen verschillende groepen versterkt. Of ze vragen zich af “wie ben ik (of jij) om te oordelen?” Hieronder licht ik toe wat Arendt volgens mij te zeggen heeft over oordelen dat onze aandacht nog steeds waard is.Het probleem van het oordeelsvermogen

Het laatste anderhalve decennium van haar leven heeft Hannah Arendt zich voornamelijk gebogen over de vraag naar de betekenis en de aard van het morele en politieke oordeelsvermogen. Er is hier volgens haar sprake van een dringend en acuut probleem. Waaruit bestaat dat probleem nu precies? De directe aanleiding voor haar analyse van het oordeelsvermogen werd gevormd door haar bevindingen naar aanleiding van het proces tegen Adolf Eichmann in 1961, maar de bredere historisch-politieke context is de twintigste-eeuwse totalitaire ervaring – met name het nationaalsocialisme van Hitler, maar ook het stalinisme. De totalitaire ervaring, zo stelt zij, heeft een beslissende en definitieve morele breuk met de traditie aan het licht gebracht – een breuk die eigenlijk met het begin van de moderniteit al is opgetreden. Wat Arendt ‘de gebroken draad van de traditie’ noemt verwijst naar de situatie waarin de traditionele maatstaven, normen en criteria voor het morele en politieke oordelen aan betekenis en waarde hebben ingeboet – kortom: op onze situatie. Overgeleverde maatstaven en normen, zoals die bijvoorbeeld ontleend aan de Bijbel, het geloof of de traditie, blijken geen adequate referentiekaders meer te zijn om de betekenis en zin van hedendaagse kwesties mee te begrijpen en zijn daarmee langzaam verworden tot anachronismen, stelt Arendt. Gebeurtenissen en situaties zijn per definitie singulier en nieuw, omdat ze de uitkomsten zijn van handelen en spreken dat altijd nieuwe, onverwachte dingen tot stand brengen. Daarom kunnen we historische gebeurtenissen niet begrijpen en beoordelen door algemene regels toe te passen.

Enige overdrijving was Arendt nooit vreemd. Op dit moment bijvoorbeeld worden veel gedragsregels (de ‘normen’ in ‘normen & waarden’) in de Nederlandse samenleving door haar burgers tamelijk breed aanvaard, zoals keer op keer blijkt uit SCP rapporten. Wat Arendt scherp zag, was dat die in tijden waarin er aardverschuivingen optreden (het nieuwe) in relatief tot heel korte tijd kunnen omslaan als een blad aan een boom. Een indicatie (de spreekwoordelijke kanarie in de kolenmijn) is daarvoor meestal de merkbare aantasting van het gezonde verstand, het geloof in het bestaan en de werkelijkheid van wat we met onze ogen waarnemen, en de merkbare toename van bijgeloof, goedgelovigheid en paranoia, volgens Arendt.

Grondeloosheid

Filosofen vatten oordelen traditioneel op als het subsumeren, onderbrengen, van specifieke, bijzondere gevallen onder een gegeven, algemene regel. Maar als Arendt gelijk heeft, dan bevinden we ons nu in de situatie dat alleen het bijzondere geval is gegeven, en de regel juist nog gevonden moet worden. In zo’n situatie moet het bijzondere geval – en voortaan geldt voor elk geval dat het bijzonder is, want zonder precedent – ad hoc, van geval tot geval, beoordeeld worden, zonder van te voren gegeven criteria. Oordelen is daarmee ‘grondeloos’ of ‘wetteloos’ geworden; er kan geen beroep meer gedaan worden op algemene, absolute regels die door iedereen in elke situatie worden aanvaard. Daarmee lijkt het op ‘tellen zonder de notie van getallen’. Goed oordelen is dus niet langer vanzelfsprekend.

Denken zonder leuningen

Daarmee is aan het wankelen gebracht wat altijd de normatieve betekenis of opdracht van het morele en politieke oordeel was, namelijk het streven om subjectieve, partijdige en willekeurige meningen te overstijgen. Het lijkt niet langer mogelijk een objectief oordeel te vellen over politiek en moreel relevante situaties, verschijnselen en gebeurtenissen. Dit klinkt misschien somber, of sceptisch, maar Arendt is beslist niet alleen maar pessimistisch, en ook geen relativist. Nu we geen vanzelfsprekend beroep meer kunnen doen op gegeven maatstaven, breekt dat ook het denken en oordelen open en schept het ook mogelijkheden voor wat zij noemt een ‘denken zonder leuningen’ (Denken ohne Geländer). En wanneer regels niet zijn gegeven, kunnen we misschien beter recht doen aan de specificiteit, de bijzonderheid van ieder situatie en aan de veranderlijkheid ervan.

Kompas

Tegelijkertijd, benadrukt Arendt, zullen we wel moeten oordelen. We kunnen simpelweg niet afzien van het morele en politieke oordeel, dat wil zeggen, van het vermogen een onderscheid te maken tussen wat goed en fout is, mooi en lelijk, waar of onwaar, etc. Ten eerste doen we het meestal vanzelf (waarmee niet gezegd is dat onze ‘intuïtie’ of onderbuik daarmee automatisch gelijk heeft; daarover hieronder meer). En zonder oordeel zouden we, ten tweede, in het beste geval stuurloos, zonder kompas of oriëntatie door de wereld dwalen, of in het slechtste geval ons moreel en politiek medeplichtig maken aan het kwaad. In mijn vorige blog sprak ik al over het misplaatste taboe op het oordelen.

Zakelijke oriëntatie in de wereld

 Wat verstaat Arendt nu onder oordelen? Hoe werkt het? De volgende passage – een fragment uit een televisie-interview met Günther Gaus op 28 oktober 1964 – werpt daar alvast licht op en laat gelijk zien dat de common sense volgens Arendt een grote rol speelt.

Het onvermogen om je op een zakelijke manier in de wereld te oriënteren – goed te oordelen, dus – zie je niet alleen onder de grote massa, maar in alle lagen van de bevolking, zelfs onder politici. De politicus wordt omgeven door een kring van deskundigen. En bij het oordelen gaat het precies om de verhouding tussen politici en deskundigen. De politicus moet uiteindelijk een besluit nemen. En eigenlijk, feitelijk gezien, kan hij dat nauwelijks doen. Hij kan eigenlijk niet precies van tevoren weten wat goed is. De deskundigen door wie hij zich laat adviseren, spreken elkaar tegen, moeten elkaar als het goed is zelfs principieel tegenspreken. Elke verstandige politicus huurt zelfs elkaar tegensprekende experts in, want hij moet kwesties steeds van zoveel mogelijk kanten bekijken. Daarover moet hij een eigen oordeel vellen. En dat oordelen is precies een uitermate mysterieuze aangelegenheid. Daarin komt zijn common sense tot uitdrukking.

Smaakoordeel

Allereerst, oordelen betekent, tot de kern teruggebracht, het maken van onderscheidingen, namelijk tussen wat goed en fout of verkeerd is, wat waar en onwaar, mooi en lelijk, etc. Hierin speelt de smaak een grote rol. Smaak discrimineert onmiddellijk doordat een ding of gebeurtenis ofwel lust ofwel onlust oproept, enthousiasme ofwel afkeer, etc. We kunnen niet anders dan onwillekeurig de dingen en mensen die we waarnemen en ervaren, de dingen die ons overkomen, in te delen in wat ons aanspreekt en wat niet. We hebben het ‘hokjesdenken’ en ‘wij-zij’ denken – eigenlijk is ‘denken’ te veel gezegd: het gaat om de onmiddellijke smaaksensatie – ook nodig – en wel als beginpunt – om ons te oriënteren in de wereld en er niet stuurloos in rond te dobberen.

Common sense

Dit laatste is wat Arendt common sense noemt. Alleen: de common sense volgens is natuurlijk niet genoeg. Want het probleem is gelijk duidelijk: de common sense, en onze directe reacties op onze ervaringen, is vaak erg vertekend, en zit vol vooroordelen. Die vooroordelen kunnen daarbij evengoed verwijzen naar je persoonlijke hang-ups, stokpaardjes en eerdere persoonlijke ervaringen, als naar diepgewortelde algemeen geaccepteerde maatschappelijke en culturele normen, tradities, mores en gesundenes Volksempfinden: ‘zo doen wij dat nu eenmaal’, ‘zo is dat gewoon’, etc. Arendt wijst met name op de neiging van de common sense om volstrekt nieuwe dingen en gebeurtenissen – in haar woorden: dat wat zonder precedent is – terug te brengen tot wat we al kennen, het vertrouwde, of om heel verschillende dingen op een hoop te gooien. Totalitarisme werd in de jaren ’30 en ’40 door veel commentatoren gezien als een variant van dictatuur of tirannie, en daarmee als iets dat van alle tijden en plaatsen was. Nu beschouwen commentatoren het rechts-populisme als een variant van fascisme.

Begrijpen draait in kringen

Arendt is zich sterk bewust van de risico’s die zijn verbonden met het common sense denken. Toch is volgens haar de common sense de enige basis die we hebben voor onze oordelen. We kunnen de dingen om ons heen simpelweg niet duiden zonder deze common sense. Daarmee haakt ze aan bij de manier waarop hermeneutisch fenomenologen als haar docent Martin Heidegger en diens leerling Hans-Georg Gadamer zich het proces van begrijpen, interpreteren of oordelen voorstellen. Heidegger en Gadamer spreker over de zogenaamde ‘hermeneutische cirkel’ van het verstaan. Daarmee willen ze zeggen dat het begrijpen en oordelen als het ware altijd, onontkoombaar, in kringetjes beweegt. Elk expliciet en gearticuleerd oordeel en begrijpen begint met in onze alledaagse ervaring; ofwel wat hermeneutici een voorafgaand, impliciet ‘voor-verstaan’ (Vorverständnis), letterlijk een ‘voor-oordelen’ noemen, en wat bij Arendt de common sense is. Deze common sense ligt dus heel dicht bij onze directe, zintuiglijke ervaring van de wereld: ze is praktisch en gesitueerd. Dat voorverstaan is eigenlijk nog nauwelijks ‘begrijpen’ of ‘oordelen’ te noemen; het is eerder een know how dan een know that, het gaat over onze praktische dagelijkse omgang met de dingen die ons vertrouwd zijn.

Arendt wijst er zoals gezegd op dat smaak om te beginnen een grote rol speelt. Beter gezegd: dat wat ons niet aanspreekt, wat niet aan ons appelleert, of volstrekt koud laat, zal zelden leiden tot een expliciet oordeel. Pas wanneer iets een beroep op ons doet, en dat betekent: ons smaakvermogen aanspreekt – wat me interessant, leuk, merkwaardig, lelijk of belachelijk vinden – zullen we er überhaupt bij stil staan. Opnieuw: het gaat bij smaak heel basaal om het maken van onderscheidingen. Dan komt het proces – de cirkel – van het begrijpen pas op gang.

De hermeneutische cirkel, die beschrijft hoe het begrijpen en oordelen ontstaan, beschrijft simpelweg het proces van impliciete voorverstaan van de common sense, dat nog vol is van vooroordelen, naar expliciete, weloverwogen en kritische oordelen. Om van common sense denken tot een echt, expliciet, en weloverwogen oordelen te komen, moet er nog veel gebeuren. Smaak is immers de meest subjectieve en partijdige van alle zintuigen: we vinden iets onmiddellijk mooi of lelijk. Daarbij is het eerste onmiddellijke smaakoordeel niet communiceerbaar. Immers, de gustibus non est disputandum, ‘over smaak valt niet te twisten’. De ene persoon houdt van wijn, de andere van bier, en het is absurd om een wijndrinker ervan te willen overtuigen dat bier toch echt veel lekkerder is dan wijn. Hoe kan dat nu de basis vormen voor het oordelen, waarvan we immers willen dat het meer is dan een uitdrukking van onze loutere subjectieve willekeur en dat we er met elkaar over kunnen communiceren, dus dat het mededeelbaar is?

Voorbij het onmiddellijke smaakoordeel

Twee vermogens, processen of aspecten zijn cruciaal voor Arendt in het circulaire proces van het begrijpen en oordelen, om de loutere partijdigheid, subjectiviteit en oncommuniceerbaarheid van de smaak te overwinnen, namelijk enerzijds de verbeeldingskracht en anderzijds de kritische reflectie. Een goed oordeel doet een beroep op beide, al is het niet van tevoren te zeggen in welke verhouding. Afhankelijk van de situatie en de context is soms meer verbeeldingskracht gepast, en soms meer de kritische reflectie.

Verbeeldingskracht

De verbeeldingskracht maakt afwezige dingen voor ons ‘geestesoog’ aanwezig. Het kan daarbij gaan om situaties en gebeurtenissen uit het verleden, kortom: de verschijnselen die we hebben ervaren. Door de dingen nog eens – en nog eens – ‘door ons heen te laten gaan’, vormen we in ons hoofd een beeld van wat we hebben ervaren, een representatie. Het kan ook gaan om de mogelijke oordelen van anderen in een situatie waarin je je op dit moment bevindt. Dit vermogen je te verplaatsen in de mogelijke positie van anderen noemt Arendt ‘representatief denken’ of wat je misschien zou kunnen vertalen als ‘denken in de breedte’ (erweiterte Denkungsart of enlarged mentality).

Kritiek

Het verbeeldingsvermogen stelt ons dus in staat wat afwezig is voor onszelf aanwezig te maken. Het kritische oordeelsvermogen – de ‘operatie van reflectie’ – stelt ons vervolgens in staat om afstand te nemen van de directe emoties die de representatie van een situatie bij ons oproept. Daarmee wordt de uiterste subjectieve onmiddellijke smaaksensatie tot een oordeel in strikte zin.

De twee vermogens die een centrale rol spelen in het proces van het oordelen, verbeeldingskracht en kritisch denken, zijn aan elkaar tegengesteld. Waar de verbeelding opbouwend is en gericht op de toekomst en het nieuwe, is kritiek afbrekend of destructief en gericht op het verleden.

Experiment

Overigens noemt Arendt de verbeeldingskracht niet zozeer opbouwend, maar experimenteel. Wanneer je je verplaatst in de positie van de ander, kun je, zeker aanvankelijk, nooit zeker weten hoe het ‘echt’ zit, hoe het voor anderen ‘echt’ is. Het vraagt daarom van ons dat we verhalen kunnen vertellen. Verhalen vertellen is experimenteel, omdat het altijd het gegevene, de feiten, overstijgt en ze tot iets betekenisvols smeed. Pas wanneer het geen recht doet aan de feiten, de feiten verdraait, wordt verbeelding fantasie. Daarom, zegt Arendt, gaat het bij het representatieve denken ook niet zozeer om het vergelijken van mijn eigen oordeel met het feitelijke oordeel van anderen, maar met de diverse, pluralistische mogelijke oordelen van anderen. Arendt benadrukt dat representatief denken niet hetzelfde is als empathie. Empathie veronderstelt dat we ons vereenzelvigen met de feitelijke positie van anderen, terwijl verbeelding en representatief denken de mogelijke oordelen van anderen in beschouwing neemt, of, in andere woorden, ‘onze verbeelding leren op bezoek te gaan’ bij de mogelijke oordelen van anderen. Zouden we alleen de feitelijke oordelen van anderen in beschouwing nemen, dan zouden we passief en onkritisch de oordelen van anderen overnemen. En de oordelen van anderen kunnen – zie Eichmann! – natuurlijk vol vooroordelen zitten, en dan zou oordelen neerkomen op het simpelweg verruilen van je eigen oordelen voor die van anderen, op conformisme dus aan de conventies, de toevallige communis opinio, op napraten. Wel is het van belang dat we onze oordelen achteraf te toetsen in het gesprek met (feitelijke) anderen.

Een tweede verschil tussen kritiek en verbeelding is dat de verbeelding ons in staat ons te verplaatsen in de mogelijke positie van anderen, terwijl kritiek sterker in het teken staat van autonomie, van onafhankelijk denken, Selbstdenken. Toch hebben kritiek en experiment, onafhankelijk denken en je verplaatsen in de positie van anderen, elkaar wederzijds nodig. De een kan niet zonder de ander. Kritiek zonder verbeeldingskracht, is niet meer dan debunking, zegt Arendt. En verbeelding zonder kritische reflectie, betekent dat je vooroordelen voor zoete koek kunt slikken.

Het morele en het politieke oordeel

Arendt maakt impliciet een onderscheid tussen moreel en politiek oordelen. In het morele oordeel ligt de nadruk op zelfdenken, onafhankelijkheid en kritiek. Het zegt ons daarom eerder wat we willen vermijden, dan wat we goed en nastrevenswaardig vinden (het ‘goede’ doen, in morele zin, betekent daarom vaak: niet het slechte doen en dat betekent vaak: nicht-mitmachen). Overigens denk ik dat het juridische oordeel, het vonnis dat de rechter velt, in dit opzicht lijkt op het morele oordeel. Politiek gezien is het morele oordeel eigenlijk alleen in uitzonderlijke situaties relevant ‘wanneer het er op aankomt’, zegt Arendt (when the chips are down). Politiek oordelen staat sterker in het teken van representatief denken, omdat het van ons vraagt om een beeld vormen van de positie van anderen, en van de wereld waarin we zouden willen leven, wetende dat we die moeten delen met vele verschillende anderen.

Gesitueerde onpartijdigheid

Wat voor soort geldigheid heeft het – expliciete – oordeel dat je je op deze manier vormt? Het is in elk geval niet objectief, en ook niet universeel of absoluut geldig. Een uitspraak kan alleen objectief geldig zijn, als je een ‘Archimedisch punt’ kan innemen, als het ware boven jezelf en anderen kan uitstijgen. Zoals veel twintigste-eeuwse filosofen meent Arendt dat dat een illusie is. Arendt gaat er als gezegd dat de draad van de traditie is gebroken en dat er dus geen gegeven algemene regels meer zijn waaraan we specifieke gevallen kunnen beoordelen. Het oordeel is contingent, gesitueerd, contextueel. Oordelen levert nooit eenduidige resultaten op die je kunt voorspellen. Wat in de ene situatie goed is om te doen, is in de andere situatie wellicht verkeerd. En het is bovendien veranderlijk. Een oordeel is evenmin dwingend waar. Dat komt omdat een oordeel geen betrekking heeft op waarheid, maar op betekenis. Als ik bijvoorbeeld stel dat 1 + 1 twee is, dan is dat dwingend waar. Niemand die bij zijn volle verstand is, zal dat ontkennen en kan dat ontkennen zonder in tegenspraken te raken. Dit geldt niet alleen voor logische waarheden, maar ook voor feitelijke (empirische of historische) waarheden als ‘de zon gaat op in het oosten’ en ‘op 11 september 2011 werden er terroristische aanslagen gepleegd op doelen in New York en Washington’. Oordelen hebben een dergelijke dwingende kracht niet, omdat ze betrekking hebben op de betekenis, de zin van gebeurtenissen, feiten, dingen etc. Een oordeel is niet waar of onwaar, maar overtuigend of niet-overtuigend. Je kunt een oordeel niet bewijzen, maar er wel bijval voor proberen te krijgen.

Kortom, een oordeel kan nooit objectief geldig zijn, stelt Arendt. Maar dat maakt haar nog niet tot een relativist. Het oordeel is, door de operaties van de verbeeldingskracht en het kritische denken, ook niet louter subjectief en partijdig meer, zoals de common sense en de vooroordelen die daarin besloten liggen. Maar dat wil nog niet zeggen dat elk oordeel (evenals elke mening) maar even veel waard is. Arendt wilde met haar fenomenologie van het oordelen niet alleen een tegenwicht bieden tegen het verschijnsel van collectieve gedachteloosheid en conformisme, maar ook tegen relativisme en subjectivisme: de overtuiging dat ‘ik nu eenmaal mijn waarheid heb en jij de jouwe’, omdat ik dat ‘nu eenmaal zo voel’. “Wie ben ik om…” is de ogenschijnlijk sympathiekere variant hierop. Het oordeel is door de operaties van de verbeeldingskracht en de kritische reflectie niet louter subjectief en partijdig meer, zoals de common sense en de vooroordelen die daarin besloten liggen.

De geldigheid van het oordeel is dus niet subjectief, noch objectief, maar intersubjectief. Er is sprake van gesitueerde onpartijdigheid. Onder onpartijdigheid wordt meestal verwezen naar het oordeel dat boven de partijen staat, waarin wordt geabstraheerd van de verschillen tussen standpunten. Dit is niet het soort onpartijdigheid waar het Arendt om te doen is. Onpartijdigheid verwijst voor haar niet naar neutraliteit en universaliteit, noch naar een meerderheidsstandpunt dat je bijvoorbeeld met behulp van opiniepeilingen kunt bepalen, maar naar pluraliteit, dat wil zeggen, naar een standpunt dat zoveel mogelijk verschillende mogelijke posities van anderen in beschouwing neemt, naast die van jezelf. Verschillen tussen standpunten worden niet uitgewist. Het betekent evenmin dat je je eigen oordeel perse moet loslaten.

Onpartijdigheid wordt bereikt door aandacht te schenken aan de standpunten van anderen. Onpartijdigheid vloeit niet voort uit een of ander verheven standpunt dat het geschil zou beslechten omdat het boven de mêlee staat.

Arendt spreekt in plaats van onpartijdigheid ook wel van ‘algemeenheid’. Opnieuw gaat het haar om een heel eigenzinnige opvatting van algemeenheid, die niet in het teken staat van het overstijgen van het bijzondere. De geldigheid van het oordeel is algemeen op een manier waarbij het bijzondere juist behouden blijft. “Hoe breder zijn blikveld is, des te omvangrijker zal het domein zijn waarin het verlichte individu zich van standpunt naar standpunt kan begeven en des te ‘algemener’ zal hij denken.” Kortom: het oordeelsvermogen is iets dat we moeten trainen, en cultiveren.

De kracht van voorbeelden

Tot slot spreekt Arendt ook wel van ‘exemplarische geldigheid’. Anders dan een feit (feitelijke waarheid), logische waarheid of wetenschappelijke waarheid is een oordeel nooit (dwingend) waar of onwaar, al helemaal niet voor eens en altijd. Het gaat hier simpelweg niet om waarheid, maar om betekenis, zin. Bij het oordelen gaat het om overtuigen en overtuigd worden, het ‘verleiden’ tot een ander standpunt of verleid worden, het proberen bijval te oogsten en het geven van bijval, inspireren of geïnspireerd worden. Over smaak valt weliswaar niet te twisten – dat wil zeggen: in termen van waar en onwaar – , maar er valt wel degelijk over de discussiëren, in termen van overtuigend, inspirerend, etc. Daarbij spelen voorbeelden – die overtuigen of niet – een belangrijke rol. Onze intuïties over hoe we moeten handelen worden vaak geleid door voorbeelden. Zo is Nelson Mandela voor veel mensen hét voorbeeld van moed. Een geval heeft exemplarische geldigheid, geldt als een voorbeeld dus, wanneer het bijzondere geval juist in zijn bijzonderheid licht werpt op iets algemeens.


Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s