De schok van de ervaring

Wat links na Trumps zege van Arendt kan leren: we moeten oordelen.

Ik ben zeker niet van mening dat we erg veel van de geschiedenis kunnen leren, want de geschiedenis confronteert ons voortdurend met het nieuwe. Maar er zijn wel een paar kleine dingen die we er van zouden kunnen leren. Waar ik grote bezwaren tegen heb is dat ik nergens mensen van deze generatie zie die de werkelijkheid als zodanig erkennen, en de moeite nemen er over te denken.

Screen Shot 2016-11-17 at 20.29.43.png

Afgelopen week zat ik in een panel in de Balie met als onderwerp de actualiteit van Hannah Arendts denken. Ik treed geregeld op bij dit soort gelegenheden, en ken dus het gevaar dat zulke avonden erediensten worden. Dat risico zagen de organisatoren goed in en daarom vroegen ze aan het einde van het gesprek of Arendt ook flaws had (ja, natuurlijk). Die waren tot dan nogal onderbelicht gebleven. Een groter gevaar dat ik zie is dat heiligenverering de angel uit Arendts denken haalt en er de scherpe randjes van afvijlt die het nu juist zo interessant maken. Haar werk wordt nogal eens gedomesticeerd, en voor je er erg in hebt, staat zij voor alles wat Goed, Waar en Schoon is. Waarom Arendt voortdurend in intellectuele controverses verwikkeld was, wordt dan alsmaar onbegrijpelijker en de conclusie kan dan niet anders zijn dat haar critici (en dat waren en zijn er nogal wat) benepen en bekrompen zijn en Arendt een onbegrepen genie is die gered moet worden van zoveel kortzichtigheid of zelfs kwaadwillendheid.

In de voorbereiding van het gesprek vroegen de organisatoren me hen een citaat op te sturen dat liet zien wat ik blijvend relevant vind in Arendts denken. Het citaat hierboven komt uit een interview met Arendt door de Duitse schrijver Adelbert Reif uit 1970. Het was een tijd van paranoia en onrust in de VS (waar Arendt sinds 1941 woonde), gekenmerkt door gewelddadige protesten, het presidentschap van Nixon, en de machinaties en leugens van de macht rond de oorlog in Vietnam die in 1971 onthuld werden in de Pentagon Papers.

In het licht van de gebeurtenissen van de afgelopen weken, spreekt dit citaat me om twee redenen aan.

De geschiedenis leert ons bijzonder weinig

Ten eerste zegt Arendt hier dat we niet zo veel kunnen leren van de geschiedenis. Dit is een punt dat ze consequent maakt door haar hele werk, vanaf haar vroege studie naar het totalitarisme (1951) tot dit late interview (ze overleed in 1975). Wat ze er mee bedoelt, is dat de, weliswaar begrijpelijke, neiging om wat er nu gebeurt te duiden door parallellen te trekken met het verleden, gemakzuchtig is. Nogal wat opiniemakers sloegen er de afgelopen week bijvoorbeeld vertwijfeld Arendts werk over het totalitarisme op na om te duiden wat er nu gebeurt. Ik moet toegeven dat de rillingen me over de rug liepen toen ik dat boek afgelopen weekend ook weer eens ter hand nam. Vooral het hoofdstuk over ‘De totalitaire beweging’ stemt behoorlijk onbehaaglijk, omdat Arendt laat zien dat deze gestoeld was op een minachting voor de zintuiglijke ervaring, de werkelijkheid en de feiten. Totalitaire propaganda en ideologie vormen een belediging voor de common sense, omdat die laatste de de werkelijkheid die we met onze ogen waarnemen gewoonlijk simpelweg voor ‘echt’ (bestaand) en waar aannemen.

Maar de geschiedenis herhaalt zich nooit op dezelfde manier (het heden is nooit oude wijn in nieuwe zakken). Ik zie bij Trump en zijn beweging noch terreur (het inzetten van knokploegen, het optuigen van een geheime politieapparaat om politieke tegenstanders de mond te snoeren dan wel uit de weg te ruimen, en het oprichten van concentratie- en vernietigingskampen), noch een coherente ideologie – twee cruciale elementen van het totalitarisme volgens Arendt. Ik heb er vooralsnog geen aanwijzingen voor dat Trump bezig is met een opmars naar ‘totale overheersing’. Maar als wat nu gebeurt inderdaad geen precedent heeft, dan wordt het daar niet per se minder eng om. Want we hebben daardoor eigenlijk geen houvast om te snappen wat er aan de hand is.

De overwinning van Trump begrijpen als een herhaling van het fascisme van de vorige eeuw, en dan vooral in Duitsland in het interbellum, betekent jezelf immuun maken voor de ‘schok van de ervaring’. Daar zijn nog meer methoden voor, die ik de afgelopen week ook veel om me heen waarneem. Bijvoorbeeld door jezelf te sussen met de gedachte dat het allemaal niet zo’n vaart zal lopen, en dat de wereld toch nog steeds niet vergaan blijkt te zijn. “Er is een enorme verleiding om het intrinsiek ongelooflijke weg te verklaren, met behulp van liberale rationalisaties,” observeerde Arendt in 1951. Maar we weten domweg nog niet wat er zal gebeuren.

Het taboe op oordelen

Het tweede deel van het citaat laat zien dat Arendt zich opwond over de onwilligheid (en misschien zelfs wel angst) om te oordelen die ze om zich heen zag. Ook dat is een constante in haar werk. “Is het niet aanmatigend om te oordelen over een gebeurtenis waar ik niet bij was, of een daad die ik niet gepleegd heb?” De angst jezelf impopulair te maken door voor arrogant, zelfgenoegzaam of hypocriet door te gaan, staat vrij oordelen in de weg.

Een van de uitingen van die onwilligheid of angst om te oordelen, is precies door het heden te begrijpen als een herhaling van het verleden, de weigering om het ‘nieuwe’ onder ogen te zien. Een andere uiting is maar helemaal geen oordeel meer te vellen. Bijna iedereen in mijn kennissenkring, en in de hoogopgeleide, links-liberale elite meer in het algemeen, steekt nu de hand in eigen boezem, met een vertwijfeling die totaal verlammend werkt. “Wie ben ik, in mijn geprivilegieerde cocon, om te zeggen dat Trumps kiezers het bij het verkeerde eind hebben?” Een variant daarop luidt: “Wie denkt gelijk te hebben, streelt alleen zijn ego om zich beter te voelen dan anderen.” Ik zie veel linkse zelfkastijding en zelfkritiek: ‘we’ zouden niet genoeg geluisterd hebben naar de grieven van Trumps kiezers.

In haar boek over het Eichmann proces veegt Arendt de vloer aan met het maatschappelijke taboe dat er rust op oordelen: de opvatting dat niemand het recht heeft een oordeel te vellen over iemand anders, of over daden of gebeurtenissen waar hij of zij niet zelf bij was. Als dat inderdaad het geval zou zijn, dan konden we namelijk het strafrecht en de geschiedschrijving evengoed direct afschaffen. Het suggereert namelijk dat mensen nooit anders kunnen handelen dan ze feitelijk doen of gedaan hebben. Met andere woorden: het ontkent dat mensen morele verantwoordelijkheid hebben voor wat ze als individu doen (want het zou de schuld zijn van abstracties als de Zeitgeist of het Systeem, bijvoorbeeld). Of wij zelf in vergelijkbare omstandigheden misschien hetzelfde zouden hebben gedaan, doet niet ter zake voor de geldigheid van het oordeel. Een voorbeeld: alle Duitse Joden veroordeelden unaniem de Gleichschaltung (nazificatie) die vanaf 1933 Duitsland in de greep kreeg en hen van de ene op de andere dag tot paria’s maakte (en later ook in bezette gebieden als Nederland werd omarmd). “Is het denkbaar dat geen van hen zichzelf ooit heeft afgevraagd of velen van zijn eigen groep niet precies hetzelfde gedaan zou hebben als ze de kans hadden gehad?” vraagt Arendt retorisch. Natuurlijk niet. Maar: “maakt dat hun veroordeling om die reden er ook maar iets minder correct om?”

Onwaarachtigheid en onverantwoordelijkheid

De linkse zelfkritiek die ik hier bespreek leidt tot de absurde conclusie – een arrogante zelfoverschatting bovendien – dat het de schuld van links zou zijn dat Trump nu aan de macht is. Zelfkritiek is een deugd, maar je schuldig voelen aan iets waaraan je geen schuld hebt (omdat je namelijk niets concreets gedaan of nagelaten hebt), is onwaarachtig en onverantwoordelijk. Dat geldt nog sterker voor collectieve zelfkritiek.

Arendt maakt korte metten met het idee dat er zoiets bestaat als collectieve schuld (of onschuld). Verantwoordelijkheid en schuld betreffen individuen die iets specifieks gedaan of nagelaten hebben (de uitzondering is de politieke verantwoordelijkheid die elke regering draagt voor daden en misdaden van haar voorgangers). Waar iedereen, of een hele groep, schuldig is, is niemand in het bijzonder het. Collectief schuldgevoel leidt daarmee juist nogal eens tot het ontlopen van verantwoordelijkheid. Hetzelfde geldt overigens evengoed voor collectieve onschuld.

Paternalisme

Die linkse zelfkritiek werkt dus volgens mij niet alleen verlammend, maar heeft vaak ook paternalistische trekjes. Links-liberale critici bestuderen boze witte mannen, zoals dierentuinbezoekers aapjes, of niet-betrokken wetenschappers hun onderzoeksmateriaal in een laboratorium (denk aan de uitzending van Pauw van 11 november). Ze menen vervolgens precies te weten wat deze Anderen drijft. Hun racisme, seksisme en nationalisme zou bijvoorbeeld ‘eigenlijk’ de pijn van de verliezers van de globalisering zijn; een pijn die slechts een destructieve vertaling krijgt. We hoeven ‘hen’ dus gelukkig niet op hun woord te nemen, wanneer ze zeggen dat zwarte mensen aan de hoogste boom moeten worden opgeknoopt, alle Moslims terroristen zijn en terug moeten naar hun eigen land, vrouwen bitches zijn die je, als man, mag grijpen en klimaatverandering een plot van de elite tegen de onderklasse die het hoofd toch al niet boven water kan houden.

In zijn column in NRC van 14 november schrijft Marcel van Roosmalen, inwoner van een Krachtwijk: “Een vriend uit een paar buurten verderop zei me nadat ik hem verteld had hoe blij mijn buren met de overwinning van Trump waren: „Ze bedoelen het niet zo.” Nou, dus wel.”

Navelstaren

Er is nog iets mis met de linkse zelfkritiek: het is navelstaarderig. Door vooral naar zichzelf te kijken, wordt voorbijgegaan aan de vraag wat de wereld nu nodig heeft, in wat voor wereld we willen leven. Misschien moet links eindelijk zelf eens boos worden. Er is alle reden voor. Wie naar buiten kijkt ziet namelijk een gure wereld, of in de woorden van Bertolt Brecht, we leven in ‘donkere tijden’. We lijken te leven in een nieuwe ‘grauwe eeuw’, om de naam te gebruiken van de activistische groep die strijd tegen de verheerlijking van de 17e eeuwse Nederlandse koloniale geschiedenis (de ‘Gouden eeuw’).

Ziende blind, horend doof

Dat Trump nu president is van de VS is ‘intrinsiek ongelooflijk’ en verbijsterend (ook al weten we nog niet precies wat er van komt, en niet van komt). Maar wie het niet zag aankomen, was ziende blind en horend doof (ik spreek hier zeker ook over mezelf, want ik bleef tot het laatste moment in ontkenning). De weg lag natuurlijk allang vrij. Rechts-populistische bewegingen zijn al zeker sinds het begin van deze eeuw bezig met een gestage opmars in Europa. De neoliberale wereldorde werd al in de jaren ’80 gesmeed. Dat het pas in 2008 vreselijk mis ging, is eigenlijk een wonder. En je hoeft geen helderziende te zijn of er voor te hebben doorgeleerd om te begrijpen dat deze verkiezingsoverwinning rechts-populistische bewegingen elders in de wereld, om te beginnen in Europa, enorm de wind in de zeilen geeft.

De werkelijkheid onder ogen zien

In het voorwoord van haar boek over het totalitarisme (1951) zegt Arendt dat het er om gaat een houding te vinden van “zonder voorbedachten rade en aandachtig onder ogen zien en weerstaan van de werkelijkheid – wat die ook moge zijn.” De werkelijkheid onder ogen zien: soms noemt Arendt dat denken, soms oordelen, soms begrijpen, soms hoop en soms liefde voor de wereld (want ja, we moeten namelijk in die wereld leven met alle mensen die daarin wonen, ook degenen die ons niet bevallen, en het er zo goed en zo kwaad als het kan tot ons thuis maken).  Volgens Arendt is er altijd goede reden om hoop te hebben, omdat mensen nu eenmaal altijd onvoorspelbare nieuwe dingen doen, zelfs onder proto-totalitaire, totalitaire en fascistische condities. Daarmee sluit ze zelfs het genoemde boek af. Maar hoop is niet hetzelfde als jezelf in slaap sussen met geruststellende gedachten, of als dromen over een paradijselijke wereld waarin iedereen elkaars vrijheid en gelijkheid respecteert.

De overtuiging dat alles wat op aarde gebeurt begrijpelijk moet zijn voor de mens, kan gemakkelijk leiden tot het interpreteren van de geschiedenis aan de hand van clichés. Begrijpen betekent niet het ontkennen van het verbijsterende, het afleiden van het ongehoorde (the unprecedented) uit precedenten, of het verklaren van verschijnselen door middel van analogieën en algemeenheden waardoor de inslag (impact) van de werkelijkheid en de schok van de ervaring niet langer gevoeld worden. Eerder betekent het het onderzoeken en het bewust dragen van de last die deze eeuw op onze schouders heeft geladen – noch haar bestaan ontkennen, noch zich gedwee aan haar gewicht onderwerpen.

Oordelen

Dat ‘begrijpen’ (Verstehen) noemt Arendt vanaf het midden van de jaren ’60 ook wel ‘oordelen’. Oordelen is gestoeld op verbeeldingskracht en op kritisch denken. Verbeelding betekent de poging je in gedachten te verplaatsen in de positie van de ander, terwijl je heel goed weet dat je niet in zijn of haar schoenen staat. Het betekent dat je als het ware ‘op bezoek gaat’ bij de perspectieven van anderen, zonder dat je het noodzakelijkerwijs hun standpunt overneemt. Je zet dus niet je eigen oordeel buiten werking.

Het oordeel doet tegelijkertijd ook een beroep op een vermogen dat juist tegengesteld is aan de ‘opbouwende’ verbeeldingskracht, namelijk kritische reflectie. Kritiek betekent zelf denken, onafhankelijk van wat anderen ergens van vinden of zouden kunnen vinden. Het is veelal destructief (niet in de laatste plaats zelfdestructief).

Betekent oordelen niet simpelweg veroordelen, en versterkt het zo niet het wij-zij denken, zoals iemand in het publiek me bij het panel gesprek verontwaardigd vroeg? Ik denk het niet. Oordelen heeft zeker een aspect van veroordelen (daarom rust er waarschijnlijk zo’n taboe op). Oordelen hangt namelijk nauw samen met het maken van onderscheid: goed-kwaad, etc. Met name het morele oordeel, dat sterker dan het politieke oordeel om onafhankelijkheid en kritiek vraagt, zegt ons daarom eerder wat we willen vermijden, dan wat we goed en nastrevenswaardig vinden (het ‘goede’ doen, in morele zin, betekent daarom vaak: niet het slechte doen en dat betekent vaak: niet-meedoen). Of sterker nog: moreel oordelen zegt ons vooral wie we niet willen zijn. Politiek gezien is dat eigenlijk alleen in uitzonderlijke situaties van waarde. Denk aan die gevallen waarin we worden opgeroepen onze medeburgers aan te geven omdat ze verkeerde gedachten zouden hebben, of omdat ze een verkeerde huidskleur of religie hebben. Of wanneer we die medeburgers zomaar afgevoerd zien worden, zonder dat ze zich ergens schuldig aan hebben gemaakt. Een werkelijk politiek oordeel vereist daarentegen dat we ons, experimenteel, een beeld vormen van de positie van anderen, en van de wereld waarin we zouden willen leven, wetende dat we die moeten delen met vele verschillende anderen, die ons nooit allemaal zullen aanstaan.

Tegen de verbijsterde vrouw in de zaal had ik willen zeggen: volgens mij gaat het er niet om niet te oordelen, maar daarentegen om ons oordeelsvermogen – dus onze verbeelding en kritisch denken – aan te scherpen, te trainen en te cultiveren (en dat bovendien in het besef dat er geen absolute goed-oordeels-garantie is).

Oordelen, in het bijzonder politiek oordelen, is ‘zakelijk’, dat wil zeggen: het gaat over een zaak, namelijk de wereld die we met elkaar delen en die tussen mensen ligt, meer nog dan over die mensen. Daarom kan zo’n vrij oordeel gevoelloos, bot of arrogant overkomen. In het tweede deel van dit blog, Oordelen in grauwe tijden licht ik verder toe wat ik denk dat Arendt verstaat onder oordelen. Hier beperk ik me tot wat – vrij – oordelen niet is:

  • Oordelen ≠ onderbuikgevoel

Een goed (dat wil zeggen: adequaat, passend, scherp, zakelijk) oordeel begint vaak wel degelijk met een onderbuikgevoel (Arendt noemt dat ‘smaak’), en met vooroordelen, maar moet dat ook achter zich laten, door met behulp van je verbeelding het mogelijke standpunt van anderen in je oordeel te betrekken, en door kritisch te denken. Je een goed oordeel vormen is hard werken, niet het simpelweg laten lopen van vooroordelen. Een werkelijk vrij en onafhankelijk oordeel vellen kan je ook vervreemden van de mensen om je heen, die je bijvoorbeeld arrogantie of harteloosheid verwijten, of soms zelfs in twijfel trekken of je wel goed bij je hoofd bent. Arendts eigen biografie bevat talloze voorbeelden hiervan. Een ander voorbeeld is de uitgesproken kritiek van de Amerikaanse filosoof Judith Butler op het zionisme en de schending van de rechten van Palestijnen door de staat Israel. In een recente documentaire over Arendt zegt ze het als volgt: “Natuurlijk moeten Duitsers en Joden samenleven, zwarte mensen met witte en Joden met Palestijnen. Een samenleving die pluraliteit probeert af te schaffen, wordt genocidaal. Het lijkt mij een volkomen commonsensical opvatting, maar mensen worden heel boos als ik dit zeg.” Dat laatste klopt, door haar kritiek op Israël liep Butler prijzen mis en is ze persona non grata in Israël. Dat ze zelf Joods is, lijkt haar des te kwalijker genomen te worden: ze zou lijden aan ‘Joodse zelfhaat’, of aan een gebrek aan Ahabath Israel, liefde voor het Joodse volk (net als Arendt, trouwens).

  • Oordelen ≠ kennen, bijvoorbeeld wetenschappelijke kennis

Een oordeel is niet ‘waar’ of ‘onwaar’, of ‘objectief geldig’ of niet, maar overtuigend of niet. Een oordeel drukt namelijk uit in wat voor wereld we met elkaar willen samenleven, en welke wereld we daarentegen grauw of onleefbaar vinden. Deskundigen vormen daarom ook niet perse betere oordelen. En goed oordelen is ook niet voorbehouden aan intelligente of hoogopgeleide mensen. Iedereen kan het in principe, niet iedereen doet het.

  • Oordelen ≠ het volgen van regels (laat staan morele regels)

Voor goed oordelen valt geen handleiding of stappenplan op te stellen. Het is niet van tevoren te zeggen op grond van een aantal vastgelegde criteria wat een goed oordeel is, en wat niet. Het oordeel dat die naam waardig is, is daarom per definitie ‘vrij’ en onafhankelijk. Af en toe ‘stoppen om na te denken’ is beslist een voorwaarde (geabsorbeerd in onze dagelijkse bezigheden kunnen we niet denken), maar het is niet voldoende. Gezond verstand kan ook helpen, maar het kan je ook van de regen in de drup brengen, bijvoorbeeld als er sprake is van een collectieve crisis van de common sense (en ik beweer in dit stuk dat dat nu precies in zekere zin aan de hand is). Proberen zonder vooropgezette mening te kijken naar wat er feitelijk om je heen gebeurt, is zeker een goed idee, maar het is een illusie om te denken dat je je eigen vooroordelen ooit helemaal doorgrondt. Bovendien kunnen we zonder vooroordelen helemaal niet (goed) oordelen.

  • Oordelen ≠ de meeste stemmen tellen

Vrij oordelen betekent evenmin het optellen van de oordelen van zo veel mogelijk mensen, naar analogie van de slogan ‘50.000.000 Elvis fans can’t be wrong’. Je in je verbeelding verplaatsen in de positie van anderen betekent dus niet dat je een zo representatief mogelijke enquête of survey houdt onder de bevolking (zoals empirische sociale wetenschappers graag doen), of je partijprogramma volledig baseert op ‘luisteren naar de mensen’ (zoals Samson doet). Het helpt vaak om met veel anderen met verschillende standpunten te spreken, maar soms (meestal niet) hebben al die anderen het bij het verkeerde eind. Gelijk hebben betekent zoals bekend nog niet gelijk krijgen. Vanuit het oogpunt van het politieke oordeel – dus van de wereld die we met elkaar willen delen – is gelijk krijgen, dus bijval verwerven voor jouw oordeel, van het grootste belang. Maar vanuit het standpunt van moraliteit, betekent geen gelijk krijgen nog niet dat je het niet hebt, in weerwil van de populaire opvatting dat gelijk hebben zonder het te krijgen simpelweg het strelen is van je ego om je (moreel) beter te voelen dan anderen. Die populaire opvatting is zoals gezegd een variant op het taboe op oordelen.

  • Oordelen ≠ het voelen van de – veronderstelde – pijn van anderen

Empathie en medelijden zijn directe, ‘natuurlijke’ emotie. Alle ‘normale’ volwassen mensen voelen als in een reflex empathie en medelijden wanneer ze een ander mens zien lijden (in Rousseau’s beroemde formulering is medelijden inderdaad ‘een aangeboren afkeer om anderen te zien lijden’). Er is ook groeiende neurologische evidentie dat dit inderdaad natuurlijke, biologische reacties zijn. Precies hun gebrek aan empathie en medelijden maakt sadisten zo griezelig (en fascinerend: veel thrillers, horror films en series drijven erop, waardoor je makkelijk vergeet dat het overgrote deel van de mensen precies niet sadistisch is). Als natuurlijke directe affecten maken empathie en medelijden geen onderscheid; we voelen het bijvoorbeeld zowel voor onschuldige slachtoffers, als voor daders en misdadigers die gruwelijk aan hun einde komen, zoals Khadaffi, Saddam Hoessein en Osama Bin Laden. Zelfs Eichmann ontbrak het niet aan empathie en medelijden, zoals blijkt uit een interview dat hij na zijn vlucht in Argentinië gaf met de Nederlandse SS-er Willem Sassen (de zogenaamde ‘Sassen tapes’). Daarin vertelt Eichmann onder meer dat hij de aanblik van lijken niet kon verdragen en een bezoek aan een concentratiekamp hem dus zeer aangreep. Hij dwong zichzelf in dergelijke situaties aan iets ander te denken door een serie weesgegroetjes te prevelen. Dat hielp om het trillen van zijn knieën te stoppen. Eichmann was, met andere woorden, misschien zelfs overgevoelig, maar dat zorgde er bij hem niet voor dat hij iets ondernam om het lijden van de Joden te stoppen. Integendeel. Wat Arendt wil zeggen, is dat medelijden op zichzelf genomen nog geen beroep doet op taal, woorden, verbeelding, noch op kritische reflectie; de voorwaarden voor een goed oordeel volgens haar. Medelijden, zo voeg ik toe, veronderstelt ook dat we de pijn van anderen kunnen kennen. Daar blijken we nogal eens naast te zitten, en daarbij is het nogal aanmatigend en soms zelfs denigrerend. Overigens meent Arendt dat medelijden (of boosheid, of enthousiasme) wel degelijk een rol kan en misschien zelfs wel moet spelen om ons tot actie aan te sporen; denk bijvoorbeeld aan de strijd voor de afschaffing van slavernij. Het is alleen niet meer dan een begin, en dus op zichzelf nog niet genoeg voor zinvolle politieke oordelen en dito actie. Met andere woorden: empathie of medelijden is een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde voor politiek oordelen en handelen.

 Negatieve solidariteit

 Een van de belangrijkste gedachten in Arendts werk vind ik het idee dat we leven in een gemeenschappelijke wereld leven, en vooral haar analyse van wat dat betekent. In de twintigste eeuw is de mensheid in toenemende mate geïntegreerd geraakt door processen van wat we nu globalisering zouden noemen. Dat betekent niet alleen dat de wereldwijde stromen van kapitaal en mensen zijn toegenomen, maar ook dat risico’s en verantwoordelijkheid geglobaliseerd zijn geraakt. Sinds de Eerste Wereldoorlog worden oorlogen niet louter tussen twee staten gevoerd, maar dreigen steeds andere delen van de wereld met zich mee te slepen. Sindsdien is de beschikbaarheid en het bereik van massavernietigingswapens toegenomen, net als de ontworteling, verdrijving en het op drift raken van vluchtelingen en arbeidsmigranten. Sinds de jaren ’70 is daar nog het besef van door mensen veroorzaakte klimaatverandering bij gekomen.

Al deze problemen overstijgen de grenzen van de natiestaat, en lijken haar daarmee tot anachronisme gemaakt te hebben. Tegelijkertijd verdedigt diezelfde natiestaat haar soevereiniteit juist met toenemende energie en geweld. Fort Europa, de toename van het aantal muren in de wereld, Brexit, de opkomst van rechts-populistische (en in mindere mate links-populistische) bewegingen in Europa, en het Make America Great Again zijn daarvan maar een paar symptomen. Door nieuwe media weten we bovendien meer dan ooit over mensenrechtenschendingen en misdaden tegen de menselijkheid aan de andere kant van de wereld. ‘De mensheid’ is vooral verenigd in negatieve solidariteit (het begrip is overigens van de Duitse socioloog Ulrich Beck): we zitten allemaal in hetzelfde schuitje. Dat schept een enorme nieuwe verantwoordelijkheid, maar we hebben nog nauwelijks een idee wat we daar mee aan moeten vangen.

Want het idee van de mensheid, als het ontdaan wordt van alle valse sentimentaliteit, heeft de zeer serieuze consequentie dat mensen op de een of andere manier verantwoordelijkheid moeten nemen voor alle misdaden die door mensen gepleegd worden en dat alle naties de blaam treft voor het kwaad, begaan door alle andere… Het wordt met de dag duidelijk hoe zeer de mensheid de mens een last is.

Overbodigheid

Ik waag me niet aan verklaringen voor deze verkiezingsoverwinning. Maar ik denk dat het in elk geval iets te maken heeft met het overbodig worden van steeds grotere groepen mensen, een ander thema in Arendts werk. In extreme vorm heb ik in Zuid-Afrika gezien wat absurde ongelijkheid met een samenleving doet. De historische context waarin de post-Apartheids samenleving vorm heeft gekregen is onvergelijkbaar met die van Europa en de VS. Dat wil niet zeggen dat in Europa geen grote ongelijkheid bestaat. De grootste uitwassen ervan zijn alleen gemakkelijker te negeren. De krantenpagina’s over het wanhopige lot van vluchtelingen, arbeidsmigranten en illegalen kun je omslaan. Maar in een neoliberale wereldorde die zichzelf voorstelt als het gevolg van een historische wetmatigheid worden zoetjes aan steeds meer groepen mensen overbodig – en dat zijn niet alleen de boze witte mannen.

En misschien is het wel precies deze negatieve solidariteit die kleine aanknopingspuntjes biedt voor de mogelijkheid af en toe met elkaar te spreken over scheidslijnen of kloven tussen ‘wij’ en ‘zij’ heen.

Verzet tegen wereldafbraak

Laat me een voorbeeld geven, in het heel klein (maar het politieke of democratische handelen van burgers vindt vrijwel per definitie op lokaal en kleinschalig niveau plaats). Enkele jaren geleden besloot de woningbouwvereniging dat de wijk in de oude volksbuurt in Utrecht waar ik woon tegen de vlakte moest om plaats te maken voor vrije-sector nieuwbouw. De arbeiderswoninkjes van rond 1900 zouden niet meer ‘aan de eisen van deze tijd’ voldoen. Klinkklare onzin, want de woningen waren zeer in trek. Wel waren ze al lang niet meer onderhouden, wat een van de redenen was dat de huren laag zijn en dus voor de Woningbouwvereniging nauwelijks winstgevend. Het was in de tijd dat woningcorporaties hun sociale taak langzaam afstootten en marktconform moesten gaan werken, in onzalige privaat-publieke samenwerkingen. Mensen met een laag inkomen werden (en worden) zo steeds meer naar de periferie van de stad gedreven, naar Vinex-wijken als Leidse Rijn. Met een groepje buurtbewoners verenigden we ons in een commissie. De groep was alles behalve homogeen want bestond uit leden die heel verschillend gesitueerd waren. De helft van de commissieleden bestond uit oudere Utrechters die veelal hun hele leven in deze buurt hadden gewoond, die zonder uitzondering laagopgeleid waren en leefden met de dreiging van werkloosheid of arbeidsongeschiktheid door jarenlange zware fysieke arbeid. Onder hen leefden nogal wat vooroordelen over de ‘buitenlanders’ in de buurt, meest Turken en Marokkanen. De andere helft bestond uit jonge import-hoogopgeleiden als ik, allemaal ZZP-ers of werkend op flexibele contracten, en zelfverklaard weldenkend. Naast een laag of instabiel inkomen, deelden we echter allemaal met elkaar een liefde voor dit karakteristieke wijkje. De woningbouwvereniging had overduidelijk verwacht het voornemen de wijk te slopen er soepel doorheen te kunnen loodsen en alleen nog maar op de formele instemming van de bewoners te hoeven wachten, door ons te paaien met een serie nazorg-maatregelen (in Nederland heet dat ‘inspraak’, in veel andere landen ‘coöptatie’). De managers leken oprecht verrast door de weerstand die ze ondervonden van de bewonerscommissie. Na een jaar van gesprekken, waarin we ook een enquête hielden onder alle buurtbewoners over hun wensen en ons standpunt dat de woningen behouden moesten blijven naar voren bleven brengen, gaf de woningbouwvereniging plotseling toe aan onze wensen. Een gang naar de rechter was niet langer nodig. Ik mag graag denken dat onze goede argumenten (die allemaal neerkwamen op het verzet tegen wat ik nu ‘wereldafbraak’ noem) de doorslag hebben gegeven, maar dat zal wel altijd gissen blijven (misschien waren de managers murw geworden, of misschien zag juist iemand op de juiste plaats in de organisatie op eigen kracht het licht). De woningen werden geïsoleerd, opnieuw in de verf gezet en er werd centrale verwarming geïnstalleerd (volgens ‘de eisen van deze tijd’, dus). Ik denk dat we niet zo succesvol zouden zijn geweest als de bewonerscommissie homogener was geweest. Want de macht van burgers bestaat alleen bij de gratie van samen handelen en van wat in beleidsjargon ’draagvlak’ heet, onder andere burgers en bewoners (naast een betere woning heb ik nu trouwens ook veel meer contacten in de buurt dan voorheen).

Het recht en de burgers

 “Only the courts and citizens are left to fend of our lawless state,” las ik vorige week in de krant. Het ging alleen niet over Trump. Het was de kop van het hoofdredactionele commentaar van de Mail & Guardian, over de kongsie tussen de door en door corrupte politieke elite in Zuid-Afrika (in het bijzonder president Zuma) en het bedrijfsleven (in het bijzonder de gebroeders Gupta). Het was al langer een publiek geheim, maar het is nu overtuigend aangetoond in het state capture rapport (met de briljante titel: State of Capture) van de onlangs afgetreden Openbaar Aanklager Thuli Madonsela. Maar ik denk dat ook in de VS, en in Europa, het woord nu is aan de burgers en het recht (in de VS vooral de grondwet).


  • Ik sprak in een panelgesprek tijdens de Grote Denkers serie van De Balie, Amsterdam, op 16 november. De organisatie en moderatie was in handen van Mirthe Frese en Merlijn Geurts. Kijk hier het gesprek na. De avond begint met een lezing door Nanda Oudejans, waarna actrice Lineke Rijxman een prachtige voordracht geeft van een bloemlezing uit Arendt’s essay Wij vluchtelingen uit 1943. Het panelgesprek begint rond 01:05 en duurt ongeveer een uur.
  • Met dank aan de onbekende verontwaardigde vrouw in het publiek, Veronica Vasterling (die me overigens ook wees op het verschil tussen moreel en politiek oordelen) en de leden van de filoclub, die me de afgelopen tijd aan het denken hebben gezet.
  • Het interview waaraan ik het openingscitaat ontleen, ‘Thoughts on politics and revolution’ is gepubliceerd in Arendts bundel Crises of the Republic (1972). De andere citaten komen uit het voorwoord bij de eerste editie van The Origins of Totalitarianism (1951), Eichmann in Jerusalem (1963) en de postuum gepubliceerde bundel Essays in Understanding (1994). Alle vertalingen zijn van mijn hand.
  • De uitspraak van Judith Butler die ik parafraseer komt uit de documentaire Vita Activa. The Spirit of Hannah Arendt (Ada Ushpiz, Israël, 2015).
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s