Triomf en existentiële angst. Deel 1: de driehoek van identiteit 

Naar aanleiding van een symposium over de Afrikaanstalige roman in de VOC-zaal in Amsterdam schreef ik een driedelige serie blogberichten over de strijd om collectieve identiteiten en de rol van taal, kleur en geschiedenis daarin. En passant neem ik de geschiedenis van Zuid-Afrika door en de overlap met het koloniale Nederlandse verleden en kom ik uit de kast als een Hegeliaan. En een Eurocentrist. Deel 1 gaat in op de rol van taal en kleur in de strijd om collectieve identiteiten, deel 2 op geschiedenissen en deel 3 op literatuur.

Dit deel gaat over de angst voor en de triomf over de ander⎯die soms met z’n tweeën blijkt te komen (of met nog meer). Over welhaast mystieke transformaties⎯van de collectieve ziel en van stadswijken. En over individuen en wijken die hernaamd en ontnaamd worden.

Untitled.png

Koud terug in Nederland zag ik de aankondiging van de Week van de Afrikaanse literatuur. ‘Afrikaans’ verwijst daarbij niet naar het werelddeel, maar naar de derde taal van Zuid-Afrika, voorafgegaan door Zulu en Xhosa en gevolgd door het Engels. Ik bezocht een symposium aan de Universiteit van Amsterdam georganiseerd door literatuurwetenschapper Hanneke Stuit waar vijf schrijvers optraden: Marlene van Niekerk, Simon Bruinders, Lien Botha, Francois Smith en Ena Jansen. Met enige reserve, want waarom zou de Afrikaanstalige roman gevierd moeten worden, juist nu de legitimiteit van het Afrikaans als onderwijstaal op de universiteiten zwaar wordt betwist?In een land waar 86,5 % van de bevolking volgens de laatste volkstelling uit 2011 geen Afrikaans spreekt, het overgrote deel van hen zwart, houdt hoger onderwijs in het Afrikaans uitsluiting in stand. Het helpt niet mee dat ik onlangs het Hector Pietersen museum in Soweto bezocht, de gedenkplaats voor een van de eerste kinderen die het slachtoffer werd van politiegeweld tijdens de opstand in 1976. Tussen de 176 en 700 zwarte kinderen werden doodgeschoten, omdat ze protesteerden tegen de introductie van het Afrikaans als onderwijstaal op basisscholen. Wat me over de streep trok, was nieuwsgierigheid naar de lezing van de hoofdspreker, Marlene van Niekerk. Toevallig lees ik namelijk net haar roman Triomf.

Zeker sinds J.M. Coetzees naturalisering tot Australisch staatsburger, is Marlene van Niekerk (1954) zonder twijfel de bekendste Zuid-Afrikaanse schrijver van dit moment en de darling van Zuid-Afrikaanse en Nederlandse professionele lezers en literatuurwetenschappers. Naast schrijver en dichter is Van Niekerk ook hoogleraar Afrikaanse en Nederlandse literatuur aan de Universiteit van Stellenbosch. Haar keynote lezing ging over de rol van de dichter in het antropoceen, het jongste tijdvak waarin de mens de meest bepalende (lees: verwoestende) geologische factor is.

Daarnaast was ik benieuwd naar het perspectief van een witte culturele elite in Zuid-Afrika (vier van de vijf genodigde schrijvers zijn wit). In Zuid-Afrika zelf worden maar weinig literaire festivals en voorleesavonden georganiseerd, dus dit was mijn kans.

Kombuistaal

Monument voor de Afrikaanse taal, opgericht in 1975, Paarl, West-Kaap. Fotograaf: David Goldblatt, 5 april 1992. Mijn Nederlandse vriendinnen P., L. en ik waren het er vorig jaar tijdens een rit rond Kaapstad – in die omgeving al van verre zichtbaar – roerend over eens dat het een afzichtelijk en nogal fallisch bouwsel is. Marlene van Niekerk over dit monument in een interview: “Daar moet je gaan kijken. Daar zal je een stuk fascistische architectuur zien dat je de rillingen over de rug lopen! Maar neem wel wat te drinken mee, je zult het nodig hebben.”Mijn Nederlandse vriendinnen P. en L. en ik

Ondanks haar evolutie uit het 17e-eeuwse Nederlands van de VOC- kolonisten is Afrikaans overigens niet simpelweg een witte taal. Het aantal kleurlingen dat Afrikaans spreekt als moedertaal overtreft zelfs het aantal Afrikaners, de witte groep die zichzelf ziet als de nakomelingen van de Nederlandse kolonisten. Afrikaners claimen het Afrikaans als hun taal en beschouwen de regionale variant die kleurlingen spreken, het Kaaps, vaak als slang.

Volgens sommigen is het geschiedvervalsing om Afrikaans als een witte taal te beschouwen. Zij menen dat de taal is gestolen door witte mensen. Zeker is dat het Afrikaans is ontstaan als kombuistaal, de keukentaal die werd gesproken door de bedienden en slaven van de VOC-ers in de Kaapkolonie. Het is een creooltaal, die het 17e-eeuwse Nederlands mengt met andere Europese talen (met name Frans, Duits en Portugees), inheemse talen als die van de Khoikhoi, en Maleis. De VOC haalde in de 17e en 18e eeuw de slaven die in de Kaapkolonie werkten niet alleen uit andere Afrikaanse landen, met name Madagaskar en de Portugese kolonies Mozambique en Angola, maar vooral ook uit Indië. Afrikaans ontstond als een gesproken taal (Nederlands bleef tot 1925 de officiële geschreven taal in Zuid-Afrika). Het functioneerde als een soort geheimtaal die slaven en bedienden in staat stelde met elkaar vertrouwelijkheden uit te wisselen of te roddelen over hun baas of miesies, zonder het gevaar te worden afgeluisterd. Later namen baas en miesies hun spreektaal over, eerst om met hun personeel te kunnen spreken, maar later ook voor onderlinge communicatie. Nederlanders en andere Europeanen kregen steeds vaker kinderen met slaven en bedienden, en met de oorspronkelijke bevolking van de Kaapregio, de Khoikhoi (‘Hottentotten’) en de San (‘Bosjesmannen’). De uitermate heterogene groep mensen van gemengde afkomst of met voorouders voor wie dat geldt, wordt in Zuid-Afrika aangeduid als kleurlingen, of in hun eigen woorden bruinmense. [Luister hiernaar de aflevering Cape Town: Place and Contested Space van de driedelige BBC radioserie Writing a New South Africa waarin de dichter Toni Stuart en de schrijver SJ Naude vertellen dat het Afrikaans weliswaar is toegeëigend als instrument voor onderdrukking, maar door kleurlingen juist ook wordt ervaren als de taal van verzet.]

Denk overigens vooral niet dat deze smeltkroes van culturen en genen een voorbeeld is voor rainbowism avant la lettre, of van een ideale multiculturele samenleving. Het verdoezelt etnische en gender ongelijkheid en dus mogelijk het geweld waaruit het is ontstaan. Het is nog steeds aanwijsbaar in het DNA van kleurlingen dat ze afstammen van kinderen van Europese mannen en Khoikhoi of Indische vrouwen. En daarnaast laat het het grote onderlinge wantrouwen tussen bruinmense en swartmense onbenoemd. Kleurlingen worden door zwarte mensen vaak als groep als collaborators met het Apartheidsregime gezien. Als reactie daarop staan kleurlingen zich soms voor op hun unieke identiteit, die wezenlijk verschilt van de zwarte. Dit essentialisme is opmerkelijk, omdat de kleurlingen in Zuid-Afrika genetisch gezien de meest diverse groep ter wereld zijn. Het doet me denken aan de absurditeit van de strijd om erkenning als ‘zuivere Basters’ van een groep die nu in Namibië leeft, maar een zeer vergelijkbare geschiedenis heeft die teruggaat tot dezelfde tijd en regio. [Voor meer hierover, bekijk hier de aflevering ‘Vergeten en voorwaarts’ van de serie over zuidelijk Afrika die Adriaan van Dis in 2008 voor de VPRO maakte.]

Het suiwer Afrikaans is een tamelijk recente constructie, het resultaat van wat je een witwasoperatie zou kunnen noemen, of volgens sommigen zoals gezegd diefstal. Na de voor de Boeren rampzalig uitgepakte tweede Anglo-Boeren oorlog (1899-1902) was er dringend behoefte aan een nieuwe bron van cultuur om de geknakte identiteit mee te stutten. Er ontstond een nationalistische taalbeweging die de volkse en gekleurde gesproken keukentaal wilde zuiveren en standaardiseren tot een beschaafde schrijftaal, waarbij in veel opzichten een nieuwe ‘authentiek’ Afrikaans werd uitgevonden.

Kaaps Afrikaans gaat vanuit standaard-Afrikaans perspectief door voor onzuiver. Grappig genoeg ligt het in een aantal opzichten dichter dan het standaard-Afrikaans bij het Nederlands, zoals ik ook merkte tijdens een spoken word performance door dichters van de Cape Flats, de arme gekleurde en zwarte wijken aan de verkeerde kant van de Tafelberg in Kaapstad. Het persoonlijk voornaamwoord in de eerste persoon enkelvoud is in het Kaaps ‘ik’, tegenover ‘ek’ in het standaard-Afrikaans, en de uitgang van het verkleinwoord (-tje) wordt op z’n Nederlands uitgesproken, niet als ‘-ki’, zoals in het standaard-Afrikaans (wanneer Afrikaners mijn naam horen, spellen ze die vaak als ‘Marietjie’, en lezen het daarna voor als ‘Mariekie’).

Het is me opgevallen dat kleurlingen over het algemeen een nogal laconieke houding hebben tegenover hun taal. Dat veel mensen vinden dat het Afrikaans als officiële taal onder post-Apartheidscondities een stapje terug moet doen, wordt onder Afrikaners veel sterker als een existentiële bedreiging ervaren. Hierop kom ik verderop nog terug. Afrikaners hebben vaak een puristischer taalopvatting dan kleurlingen. Terwijl het Kaaps gemakkelijk andere talen absorbeert, spreken Afrikaners bijvoorbeeld van ‘toep’ (app) en ‘rekenaar’ (computer).

Triomf

De transformatie van Sophiatown tot Triomf: voor, tijdens en na 1955. Links: poster door William Kentridge voor het toneelstuk Sophiatown, Junction Avenue Theatre Company, eerste opvoering in 1986. Het legendarische Sophiatown was een van de oudste zwarte wijken in Johannesburg en voor haar vernietiging beroemd als centrum van literatuur, politiek en muziek, met name jazz. Het wereldwijde succes van Miriam Makeba en Hugh Masekela begin bijvoorbeeld in Sophiatown. Rechtsboven: het puin van de ontruimde en platgewalste wijk, 1955. Rechtsonder: cover van de Engelse editie van Marlene van Niekerks roman Triomf. Met een kerkhof van te repareren koelkasten in de voortuin, zijn de hoofdpersonen wat een buurman in Anstey’s onlangs ‘frontyard mechanica’ noemde toen hij vertelde over zijn jeugd in een armoedig wit gezin. In 2006 werd de wijk weer officieel hernaamd tot Sophiatown.

Ik lees op dit moment Van Niekerks roman uit 1994, Triomf, over de lotgevallen van de perspectiefloze witte familie Benade in de gelijknamige stadswijk, zo’n 9 kilometer ten westen van het centrum van Johannesburg waar ik woon (‘perspectief’ is het favoriete woord van de jongste en bepaald dichterlijke broer van de familie, Treppie). Triomf werd vanaf 1955 letterlijk op het puin van de zwarte volkswijk Sophiatown opgetrokken. Op grond van Apartheidswetgeving, de Groepsgebiedewet (Group Areas Act, 1950), werden alle oorspronkelijke inwoners van dit zwarte eilandje in een verder witte zee⎯het swart gevaar⎯gedeporteerd naar de township Soweto. Hun huizen en bezittingen werden platgewalst, om plaats te maken voor de arme Afrikaanse onderklasse: de zegeviering van wit over zwart, of vertrouwden de stadsontwikkelaars van het Apartheidsbewind op de performatieve kracht van de wijknaam die de nieuwe bewoners boven zichzelf zou doen uitstijgen? Als Triomf ook maar een beetje in de buurt van de werkelijkheid komt, hebben de ontwikkelaars lelijk in hun opzet gefaald. Triomf werd geen plaats van verheffing, maar een afvoerputje van wit uitschot. Nederlanders kennen deze groep mensen waarschijnlijk vooral van de hoogst gestileerde white trash performance van Yolandi Visser en Ninja van de rave act Die antwoord.

Boterhamworst en rozen

Triomf speelt zich af tijdens de laatste dagen van Apartheid, in de aanloop naar de eerste democratische verkiezingen in 1994. Het racisme, de verloedering en het extreme emotionele, fysieke en seksuele geweld waarmee de vier volwassen huisgenoten elkaar en hun omgeving het leven zuur maken, maken me fysiek onpasselijk, een naar het schijnt bijna universele leeservaring. Wat het lezen desondanks tot meer dan een masochistische exercitie maakt, zijn de zwarte humor, de overvloed aan hilarische, bijna burleske scenes, de poëtische scheldpartijen van Treppie en de spaarzame onverwacht liefdevolle momenten. Zonder ooit te moraliseren wendt Van Niekerk haar verbeeldingskracht en een arsenaal aan literaire stijlmiddelen aan om de lezer zich te laten inleven in haar nogal weerzinwekkende personages Mol, Pop, Treppie en Lambert, en niet te vergeten de honden Gerti en Toby die een gelijkwaardige plaats binnen de familie innemen. Ondanks de overeenkomsten in levensstijl is de familie Benade dus geen familie Flodder (en dat terwijl de Flodders nog wel toonbeelden van beschaving zijn in vergelijking met de Benades).

De familieleden zijn verenigd in hun afkeer van het ‘Nieuwe Zuid-Afrika’ dat overal om hen heen oprukt en de angst dat binnenkort ‘de hel zal losbarsten’. Een zwarte machtsovername zou de poten wegzagen onder hun bestaansvorm en vooral hun identiteit. De verkiezingscampagne van de Nasionale Party (de Afrikaner regeringspartij onder Apartheid) zet dan ook volledig in op het behoud van de Afrikaner cultuur. Niemand is er alleen helemaal zeker over wat dat precies is. Het tweekoppige team dat regelmatig de prefab-woning van de Benades bezoekt doet een wat wankele poging het uit te leggen. Het staat in elk geval vast dat het gaat om rozen in plaats van boterhamworst, de ‘basisdingen van het leven’ waar de kaffers en hotnots (kleurlingen) alleen maar om vechten. ‘Hoe heeft professor Van Rensburg het ook alweer omschreven? Cultuur is het, eh, veelzijdige product van een creatieve, eh, sociaal bepaalde ingreep in de natuur, eh, zoals bepaald door leden van een historische taal- en godsdienstgemeenschap.’ ‘Cultuur is je eigen tuin mooi maken,’ voegt de andere campagnemedewerker nog toe. ‘Je rózentuin’, declameert Treppie, ‘jouw recht op cultuur is het mooi maken van je eigen rozentuin, het recht ja, om je eigen boeket te maken zoals je het hebben wil.’ ‘Jij en jouw cultuurgroep,’ weet een van de NP-ers nog net uit te brengen voor Treppie het duo de tent uitjouwt. ‘Ik kots van jou en je kótsgroep. In 1938 en later in 1948 had je hetzelfde kloteverhaal. Vóór op de landweg gloort er licht. Niet: vóór op de landweg ligt een geweer, of een brood of een fabriek of een verkoopvergunning. Nee, altijd alleen maar licht, een vuurkolom, een Geest, een Hoger Idee, een Ideaal van Eenheid of zoiets. En dat alles omdat we zogenaamd een en dezelfde cultuur hebben. Wat betekent dat, godverdomme? vraag ik jullie met tranen in mijn lichtblauwe arme-blanke-kijkers.’

Groot Noodplan

Voor het geval de NP de macht zal verliezen aan het ANC – een scenario dat almaar waarschijnlijker wordt naarmate de verkiezingen naderen – hebben de Benades al een Groot Noodplan achter de hand, een reenactment van de Grote Trek noordwaarts, ditmaal naar Zimbabwe of Kenia, of waar dan ook waar zwarten en kleurlingen, zo is het idee, nog hun plaats kennen.

De Grote Trek markeert het epische beginpunt van de Afrikaner oorsprongsmythe, een variant op de Frontierervaring en the Winning of the West (maar dan het noordoosten), zoals ik al eerder op dit blog schreef. Het is een ontstaansgeschiedenis die wordt getekend door existentiële angst, nationalisme en de vurige overtuiging God aan de zijde te hebben. In 1835 keerden de Voortrekkers in hun ossewa (huifkarren) de Kaapkolonie de rug toe, het Hoge Veld in, nadat de Britten na het failliet van de VOC in 1807 de kolonie hadden overgenomen. Toen Engels werd uitgeroepen tot officiële taal, voelden de Boeren zich ernstig in hun cultuur en identiteit bedreigd. Toen de Britten in 1834 ook nog eens de slavernij afschaften en de Boeren dus van gratis arbeid beroofden, was de maat vol. Hun beloofde land lag noordoostelijker. Er volgen veel omzwervingen en avonturen, met als voorlopig hoogtepunt de Slag bij de Bloedrivier. Dit bloedbad is volgens de Amerikaanse journalist Adam Hochschild die er een boek over schreef de crux voor begrijpen van het hedendaagse Zuid-Afrika. Ten langen leste stichtten de Voortrekkers hun eigen Boerenrepublieken Oranje Vrijstaat, Transvaal (Zuid-Afrikaansche Republiek) en Natalia.

Vijand en onmens

Onder kritische filosofen en cultuurwetenschappers is het een gemeenplaats om te stellen dat collectieve identiteit nooit natuurlijk of oorspronkelijk is, maar steeds een historisch gegroeide constructie waarin een andere groep een onmisbare rol speelt. We zijn niet zomaar, maar we zij wie we zijn door wie we niet zijn. Identiteit is dus negatief (in de woorden van Hegel), maar het is ook een relatie: zelf en ander hebben elkaar nodig. Die ander is soms een vijandige, soms een geminachte groep.

In het eerste geval is het belangrijkste instrument het wij-zij mechanisme. Niets dat zo verenigt als een gemeenschappelijke vijand, nietwaar? Om een onschuldig voorbeeld te geven: ik verbaas mij altijd over de verbroedering die steeds spontaan lijkt te ontstaan onder gestrande treinreizigers als de NS knarsend tot stilstand komt in een weiland, of de dienstregeling ernstig verstoord is (zelf probeert het NS-bestuur trouwens vaak Prorail als gemeenschappelijke vijand aan te wijzen – de NS en de treinreizigers zitten als het ware in het zelfde schuitje). Het tweede mechanisme is dat van de ontmenselijking van de andere groep die de menselijkheid van de eigen groep stut.

Wat deze ‘deconstructie’ beoogt te laten zien, is dat collectieve identiteiten alles behalve natuurlijk zijn, vaak leiden tot het uitsluiten van andere groepen (sterker nog, ze zijn er op gebaseerd), en bovendien nogal instabiel zijn. De vijand kan een andere worden, en daarmee veranderd wie ‘wij’ zijn ook mee. De afgelopen eeuwen is het bijvoorbeeld nogal verschoven wie doorgaat voor wit. De vijand kan ook of overwonnen of verslagen worden, en daarmee verdwijnt de bodem onder de collectieve identiteit. Daarom is het niet verbazingwekkend dat een treurige constante is in de dekolonisatie- en bevrijdingsstrijd in voormalige Europese kolonies dat het bevrijde volk onmiddellijk weer uiteenvalt in politieke rivalen, maar vaker nog stammen. Dit is ook gebeurd in Zuid-Afrika, waar de post-Apartheid tribale verdeeldheid tot in het parlement zichtbaar is.

VOC-mentaliteit

De Nederlandse identiteit is geconstrueerd langs beide lijnen, denk ik. De ontmenselijking zien we bij de Kaap-kolonisten die de lokale bewoners nauwelijks herkenden als mensen. Het bekende schilderij van de landing van Jan van Riebeeck bij Kaap de Goede Hoop laat dat goed zien.

De landing van Jan van Riebeeck, Charles Bell, 1850. Op de achtergrond is de tafelberg te zien, die tegenwoordig gedeeltelijk een natuurlijke barrière vormt tussen de rijke binnenstad en stranden van Kaapstad en de Cape Flats en andere townships en informal settlements.

Nergens is dit mechanisme van ontmenselijking van de inheemse bevolking zo weergaloos en indringend opgeroepen als in Joseph Conrad’s Heart of Darkness (1899), een novelle die diende als basis voor het script van Francis Ford Coppola’s Apocalypse Now (1979) over de ontmenselijking van de Vietnamezen door de Amerikanen ruim een halve eeuw later. Heart of Darkness speelt zich af in Belgisch Congo tegen de einde van de negentiende eeuw, maar in een essay over het ‘vertoog van de Kaap’⎯de hardnekkige opvatting dat ledigheid en luiheid daar welig tieren⎯laat J.M. Coetzee zien aan de hand van vroege reisbeschrijvingen van Nederlandse schrijvers die meekwamen op de VOC-schepen hoe hetzelfde mechanisme speelde in de Kaap in de 17e eeuw. De Khoikhoi bleken een totaal andere taal (klikkend, vandaar de denigrerende aanduiding ‘Hottentots’), leefwijze (ledigheid) en kleding (geen, of weinig) te hebben. In een hoofdstuk over imperialisme in haar boek The Origins of Totalitarianism (1951) laat Hannah Arendt daarbij zien dat de kolonisten in de Kaap geen voor hen herkenbare cultuur aantroffen. De Khoikhoi bedreven geen landbouw, maar waren herders. Als nomaden hadden ze geen vaste verblijfplaats, maar verbleven in tenten. Ze behoorden weliswaar zichtbaar tot dezelfde soort, homo sapiens, maar voor het overige waren ze toch niet helemaal mens.

De ‘handelsgeest’ en alle eigenschappen die daar bij zouden horen (pragmatisme, tolerantie, openheid) die volgens sommigen een van de spilpunten vormen van de Nederlandse identiteit, gaat inderdaad terug op die door Balkenende verheerlijkte ‘VOC mentaliteit’. De ‘trots op Nederland’ waarover de Koning onlangs sprak in zijn Troonrede, ging vooral over ‘onze’ welvaart.

Op dit moment komt het andere genoemde mechanisme – het wij-zij denken – me als dominanter voor in Nederland. In een bespreking van Triomf uit 2009 verbaast Toef Jager zich over de angst van de Benades, die volgens hem vanuit een Nederlands perspectief niet te bevatten is. Is het nationalisme (wij Nederlanders zijn te beschaafd voor dat tribale gedoe), of komt het doordat Nederland in de tussentijd nogal is veranderd (maar Maxima-gate was al in 2007)? De existentiële bedreiging van de Nederlandse identiteit door ‘vreemde culturen’ wordt hier inmiddels evenzeer gevoeld als in Zuid-Afrika. Onze ‘joods-christelijk-humanistische cultuur’, dan wel onze Verlichtingswaarden lijken vooral een manier om te zeggen wat het niet is: Islamitisch. Vrouwen en homo’s worden daarbij vaak geïnstrumentaliseerd als stok om mee te slaan. Want zou Wilders nu echt zo’n feminist of voorvechter van homo-emancipatie zijn? Van mijn collega’s van gender en postkoloniale studies in Utrecht leerde ik hiervoor de term ‘homonationalisme’.

Trots

De grote vraag is of het wel anders kán.

Vriendin Esther Wit, visiemedewerker bij het Humanistisch Verbond, meent van wel. ‘Trots op Nederland’⎯de Nederlandse identiteit en cultuur⎯hoeft volgens haar niet gebaseerd te zijn op verzet tegen ‘wie we niet zijn en wat we niet willen, wat we afkeuren en waar we tegen zijn.’ Met andere woorden, trots is volgens haar niet perse triomf. De uitdaging zit ‘m er volgens haar in na te denken over een culturele identiteit die juist inclusief en meerstemmig is, een ‘expliciete uitnodiging aan iedereen om mee te doen in wat we wel willen.’ Principes als gelijkheid en een open en pluriforme samenleving zijn volgens haar ‘verworvenheden die niemand toebehoren, die niemand kan claimen. Maar ze zijn wel kwetsbaar en moeten beschermd worden.’ Waar Wit en ik het over eens zijn is dat collectieve identiteit niet natuurlijk is en dus niet vast staat. Het duidt eerder op een werkwoord of proces–het verwerven van iets dat we als groep belangrijk vinden⎯dan op een essentie. Maar de troonrede zelf, en de discussie daarna over de Nederlandse identiteit laten volgens mij zien dat het bar moeilijk is om aan te geven wie je bent zonder te zeggen wie je niet bent. En dan heb ik nog niet eens over Zuid-Afrika.

Driehoek 

Wat de geschiedenis van Zuid-Afrika me wel heeft geleerd, is dat identiteitsconstructies niet altijd gebaseerd zijn op een relatie tussen twee partijen (zelf-Ander, wij-zij, vriend-vijand), maar soms ook tussen drie. Een triade in plaats van een duel dus. In sommige gevallen betekent dat dat nu eens de ene ander centraal staat, dan weer de andere. Maar soms vormen ze een intrigerende drie-eenheid, waarbij een groep de andere groep gebruikt als stok om de derde te slaan.

Het eerste voorbeeld is de driehoek Afrikaans-inheems-Engels. Opmerkelijk genoeg komt de existentiële dreiging gedurende een aanzienlijke periode in de oorsprongsmythe van het Afrikanerdom namelijk niet van de kant van de inheemse Zuid-Afrikaanse bewoners (zoals de Khoikhoi, San en Zulu’s), maar van Engelse zijde. Van de twee vijanden staat nu eens de een, dan weer de ander op de voorgrond. Tot halverwege de 19e eeuw zijn de inheemsen niet werkelijk van existentieel belang voor de Afrikaner identiteit. Ze worden bestreden in oorlogen, verdreven of tot slaaf gemaakt. De Zulu’s vormen hoogstens een militaire bedreiging, maar geen existentiële. De Engelsen waren dat wel, zeker sinds ze de Kaapkolonie overnamen. Hoewel de Boeren hun eigen republieken stichtten, misten ze als hoofdzakelijk boeren in een land met een enorme rijkdom aan natuurlijke grondstoffen in technologisch, economisch en cultureel opzicht de boot. Toen in 1886 in Kimberley diamant werd ontdekt, en in 1886 aan de Witwatersrand (Johannesburg) goud, hadden ze het nakijken, terwijl de Witwatersrand nota bene op hun eigen grondgebied lag, de Zuid-Afrikaansche Republiek. Iedereen⎯Engelsen en grote groepen goedkope zwarte arbeidskrachten⎯profiteerde van de mijnen, behalve zij. De Engelsen hadden het in de mijnindustrie voor het zeggen (enter Cecil Rhodes) en hen kon het weinig schelen wie er verder in de mijnen werkten, of het nu zwarte of witte arbeiders waren. De Boeren verdeelden hun wrok vanaf nu tussen de Engelsen die hen in hun ogen piepelden en de zwarten die hun werk afpikten. Onder Afrikaner druk stelde Rhodes nog even een colour bar in de mijnindustrie in (geschoolde krachten moesten voortaan wit zijn), maar dat hield niet lang stand. Politiek eisten de Engelsen ook steeds meer macht op. De twee Anglo-Boeren oorlogen zijn hiervan het gevolg, de eerste succesvol voor de Boeren, de tweede niet. Zoals gezegd ontstond rond die tijd een sterke nationalistische Afrikaner taalbeweging.

De bedreiging van de Afrikaanse taal vormde dus de katalysator van de Grote Trek en het ressentiment werd nog versterkt door de Anglo-Boeren oorlogen. Maar de Afrikaner wrok tegen de Engelsen zit nog steeds diep. Het duurde bij mij even voor ik door had dat dekolonisering⎯van het onderwijscurriculum, de geest, instituties⎯voor veel Afrikaners het opruimen van de Engelse overheersing betekent. In het debat over de onderwijstaal wordt regelmatig geopperd om dan maar voor het Engels te kiezen om de vingers niet te hoeven branden aan de kwestie welke van de negen officiële zwarte talen er gekozen zou moeten worden en zo in een klap af te zijn van het gedoe met meertaligheid. Het bezwaar van veel Afrikaners luidt dan steevast dat op deze manier allerminst een einde wordt gemaakt aan de koloniale erfenis. Engels voorstellen als lingua franca geldt dan zelf als een vorm van neokolonialisme.

Arm blanke

De zwart-wit relatie wordt bepalend vanaf de goldrush en de industrialisatie van Zuid-Afrika sinds de late 19e eeuw. Apartheid heeft een directe relatie met het zogenaamde armblanke-vraagstuk. Voor zijn politieke loopbaan bij de Nasionale Party begon, zette Hendrik Verwoerd, de latere minister van naturellesake (1950-1958) en minister-president (tussen 1958 en zijn gewelddadige dood in 1966) zich als activist al in voor de arme Afrikaners, die in hun bestaan werden bedreigd door het grote lege zwarte ongeschoolde krachten. Verwoerd (1901-1966) was van Nederlandse afkomst en geldt als de belangrijkste architect van de Apartheid. Een groot deel van de Apartheidswetgeving kwam van zijn hand, zoals de al genoemde Groepsgebiedewet (1950), de Wet op Bevolkingsregistrasie (1950) en de Pasjeswet (1952), evenals als het beleid van tuislande, ofwel bantoestans. Hij werd in Amsterdam geboren, maar het zwaar gereformeerde gezin verhuisde al vroeg naar Zuid-Afrika uit sympathie met het lot van de Afrikaners na de tweede Anglo-Boeren oorlog. Verwoerd ontwikkelde de ideologie van blanke baasskap. Daarin gingen raciaal-culturele en sociaal-economische motieven hand in hand. Marx zou er wel raad mee weten. Onder Apartheid werden kwetsbare (laagopgeleide en arme) Afrikaners van overheidswege flink gesubsidieerd. Daar hoorde ook goedkope sociale woningbouw voor de witte onderklasse zoals in Triomf bij.

Witte tranen

Nu dit beleid van bevoorrechting na 1994 uiteraard is weggevallen, blijken niet alle Afrikaners op eigen kracht hun plaats in de middenklasse te kunnen behouden. Opnieuw leidt dat tot scheve gezichten. Zwarte en gekleurde mensen zouden onterecht voorgetrokken worden op de arbeidsmarkt door een beleid van, precies, bevoorrechting. Minstens een keer per dag hoor of lees ik wel dat het veel te zelden gezegd of geschreven wordt dat er ook zoiets als witte armoede bestaat. Inderdaad: het armblanke-vraagstuk redux. Het lijken me witte tranen. Dat zijn de tranen van witte mensen die niet tegen hun verlies kunnen van een niet-witte, maar competentere tegenstrever (denk: Caster Semenya en Serena Williams). Vaker gaat het bij witte tranen echter om de vermeende etnische achterstelling van witte mensen (‘omgekeerd racisme’) die in werkelijkheid niet noodzakelijk bestaat.

Het vertoog van de ‘rechten van minderheden’ past hier pijnlijk goed bij. Een voorbeeld van de ressentimentspolitiek van groepen die zich een onderdrukte minderheid voelen zagen we afgelopen week in Nederland in het (heel) klein na het tumult in de Nederlandse media over de incidenten bij de Groningse studentenvereniging Vindicat. Corpsleden klaagden daarna dat ze worden afgeschilderd ‘als een stel randdebielen’. ‘We hebben nu een idee hoe het voelt om een minderheidsgroep te zijn.’ In Zuid-Afrika hebben groepen als AfriForum en the Red October de VN gevraagd om de erkenning van de status van de Afrikaanse cultuur als minderheidsgroep. [Kijk hier naar de aflevering over racisme van het veelgeprezen tv-programma The Big Debatein 2014, waarin Sunette Bridges van The Red October het uitlegt.]

Boerenpummels

De Engelse identiteit is hier misschien nog wel het meest intrigerend. Ik begon te begrijpen hoe complex en indirect deze tot stand kwam toen ik Arendts tekst over de ervaring van de Kaap opnieuw ging uitvlooien voor een honours course over de verstrengeling van de Europese en de Afrikaanse filosofie die ik onlangs samen met mijn leidinggevende aan filosofiestudenten in Pretoria gaf. Wanneer je er even goed let op wat Arendt in dit hoofdstuk doet als wat ze daarin zegt, dan begint het te dagen dat ze weliswaar de ontmenselijking van de Khoikhoi door de Boeren probeert te begrijpen en te bekritiseren (volgens haar zijn de Boeren de uitvinders van het racisme), maar dat ze dat niet doet door het perspectief van de Khoikhoi in te nemen. In hun barbaarsheid degenereerden de Boeren tot het niveau van de inheemse bevolking, terwijl zij toch beter moesten weten, omdat ze immers afstamden van een eerbiedwaardig cultuurvolk, de Nederlanders. Arendt steekt haar minachting voor de ledigheid van de Boeren niet onder stoelen of banken. De Boeren, meent zij, waren nog te beroerd om te werken (vandaar die slaven), maar ze suggereert dat ze daarin als het ware besmet waren door de Khoikhoi. Immers, die bouwden geen huizen of andere gebouwen, cultiveerden geen land, schreven geen boeken, etc.

Coetzee laat zien dat dit precies het Britse perspectief was na de overname van de Kaapkolonie. Het vertoog van de Kaap bleef bestaan, maar ging niet langer over de Khoikhoi. De Britten zagen hen voortaan als objecten van verheffing en disciplinering. Eerder schreef ik al over de beschavingsmissie van Cecil Rhodes. De ledigheid werd nu vooral gezien bij de Boeren. Een groep nietsnutten dus. Beschaafder dan de Khoikhoi en ijveriger dan de Boeren, zagen de Britten zichzelf als degenen die Zuid-Afrika tot ontwikkeling en beschaving brachten.

Engelssprekende Zuid-Afrikanen die ik in Johannesburg tegen kom spreken met een licht dedain over Afrikaners. Ze zien hen als boerenpummels, met hun liefde voor Plaasbraai en kerk. Mensen als mijn huisbaas, prominent lid van de Rand Club staan zich er op voor geen Afrikaans woord correct en verstaanbaar te kunnen uitspreken. Toen hij mij eens het adres van een meubelzaak uitlegde, sprak hij dat uit als ‘Art Deco’, terwijl later bleek dat het ‘Ontdekkers’ was.

Ons Vader wat in die hemel is

Wanneer ik vanaf de universiteit waar ik werk de luxe hoge snelheidstrein naar huis pak, nemen de gesprekken in het Afrikaans af naarmate de trein Pretoria verder achter zich laat. In de rijke noordelijke buitenwijken van Johannesburg wordt vrijwel uitsluitend Engels gesproken. En in de buurt hoor ik ook nauwelijks Afrikaans. Mijn Zulu buurmeisjes dreunen dan wel het Onze Vader in het Afrikaans op, maar daarmee houdt hun kennis van de taal op. Vanwege de vele arbeidsmigranten uit heel Zuid-Afrika en de naburige landen worden in het centrum, voor zover ik dat goed kan beoordelen, verschillende zwarte Zuid-Afrikaanse talen door elkaar gesproken, plus talen uit Zimbabwe en Ethiopië, Portugees en Frans. Daarnaast spreekt vrijwel iedereen functioneel tot goed Engels. Johannesburg kent geen grote gemeenschap van kleurlingen. Oudere mensen verstaan vaak wel Afrikaans, een rest van een verleden waarin Afrikaans de onderwijstaal op basisscholen was en veel mensen werkten voor een witte baas. Toen ik onlangs bij de winkel in huishoudelijke spullen in hetzelfde pand als Anstey’s een Basotho deken ging kopen, werd ik verrast doordat ik een van de winkelbedienden, een oudere zwarte mevrouw, Afrikaans hoorde spreken. Ik raakte met haar in gesprek, in een mengelmoes van Engels, Nederlands en Afrikaans. Ze vertelde me dat haar vader een kleurling was, en dat ze vloeiend Afrikaans en Zulu spreekt. Kan jy wel perdry?, vroeg ze me met een twinkel in haar ogen. De deken die ik kocht wordt traditioneel door herders in de bergen van Lesotho omgewikkeld. Daar hoort dus wel een passende hoed en een stok bij, vond ze.

Neushoorns

Arendts hoofdstuk over de ervaring van de Kaap is vooringenomen en politiek incorrect, volgens veel commentatoren zelfs racistisch. Ze kiest duidelijk partij, vóór de Engelsen en tégen de Afrikaners, hoewel ze er begrip voor lijkt op te brengen dat de laatsten in de Khoikhoi geen mensen zagen. Desalniettemin is het waardevol omdat ze, als het ware ondanks zichzelf, de driehoek van identiteit illustreert. Coetzee daarentegen beschrijft hetzelfde proces met de quasi-objectieve afstand van een literatuurwetenschapper en houdt zichzelf buiten schot. In het eerste deel van zijn gefictionaliseerde autobiografie, Boyhood (1997), worstelt zijn jeugdige hoofdpersoon echter met zijn etnische identiteit: hij is wit, maar waar hoort hij nu precies bij? Hij zit in elk geval niet in de Afrikaanstalige klas, draagt schoenen naar school en vindt zijn Afrikaanse medescholieren maar barbaren.

“There is a manner that Afrikaners have in common (…)⎯a surliness, an intransigence, and, not far behind it, a threat of physical force (he thinks of them as rhinoceroses, huge, lumbering, strong-sinewed, thudding against each other as they pass)⎯that he does not share and in fact shrinks from.”

Ondanks zijn Afrikaanse achternaam, en het feit dat zijn ouders van een plaas komen, beschouwt John zichzelf als Engels. Thuis wordt er geen Afrikaans gesproken. De schrijver en literatuurwetenschapper J.M. Coetzee schrijft dan ook uitsluitend in het Engels.

Verdeel-en-heers

Het tweede voorbeeld van de drieplaatsige constructie van collectieve identiteit stipte ik eerder al kort aan. Naast de triade Afrikaans – Engels – inheems, speelt ook nog die tussen wit – zwart – kleurling. Beide onderdrukt door de witten, maar de laatsten toch net iets minder dan de eersten. In het gevangeniscomplex in Johannesburg waar politieke gevangenen werden opgesloten onder Apartheid (tegenwoordig onderdeel van Constitution Hill), zijn de lijsten met dagelijkse rantsoenen veelzeggend. De witte machthebber gebruikte hier de eeuwenoude verdeel- en heerstactiek. Kleurlingen kregen meer en beter eten dan zwarte gevangenen. Zwarte mensen zijn de relatieve bevoorrechting van kleurlingen onder Apartheid niet vergeten. Niet het wit-gekleurd verschil, maar het onderscheid tussen bruin- en swartmense lijkt de basis te vormen voor de identiteitspolitieke emancipatiestrijd van kleurlingen.

Untitled.png

Zoiets als een zwarte Zuid-Afrikaanse identiteit bestaat alleen tegenover witten en kleurlingen. Zonder beide anderen, zijn er alleen verschillende stammen. De premissen waarop het panafrikanisme van Robert Sobukwe is gebouwd⎯de continent- en diaspora- omvattende solidariteit van zwarte mensen vanwege de gedeelde koloniale ervaring⎯zijn dus helemaal kansloos. In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen telde ik in centrum Johannesburg welgeteld één verkiezingsposter van het Pan Africanist Congress. De partij haalde 0,19 % van de stemmen op.

Kleurobsessie 

Ja, een mens doet bepaald een obsessie met kleur op in een land waar die van haarzelf niet langer zo vanzelfsprekend is als thuis. Zoals zwarte buitenlandse studenten op de Universiteit van Pretoria pas zwart worden in Hatfield (de universiteitswijk in Pretoria), zo werd ik pas wit in downtown Jo’burg. Wacht eens even, ook daar zit iets driehoekigs in! Ik word pas wit doordat ik zie dat andere mensen zien dat ik niet-zwart ben.

Naast een recente kleur- en taalobsessie, ben ik al langer een closet-Hegeliaan. Mijn voormalige promotor merkte dat al eens op dat ik overal drietallen zie. Waar mijn feministische en postkoloniale collega’s ‘twee’ zeggen, daar zeg ik ‘drie’.

Makwerekwere

Operatie Fiela, Johannesburg, april-mei 2015

Maar op de achtergrond speelt er hier nog een vierde groep, het buiten bij uitstek: de makwerekwere, zoals zwarte Zuid-Afrikanen (illegale) arbeidsmigranten uit de omringende landen zoals Mozambique en Zimbabwe noemen. Net als bij de hottentotten van de VOC-kolonisten en de barbaren van de Griekse oudheid is het een scheldwoord dat is gebaseerd op hoe de taal van de vreemdelingen de lokale bevolking in de oren klinkt, namelijk als brabbeltaal. De makwerekwere is ‘de boeman die de natie bevlekt met zijn excessieve zwartheid’, aldus David Matsinhe, een Zuid-Afrikaans-Canadese socioloog. Ze zijn vogelvrij, omdat iedereen met deze surplus mensen kan doen wat haar belieft omdat ze niet door de wet worden beschermd. Sterker nog, de wetshandhavers doen vaak zelf mee. De zogenoemde xenofobe rellen in Zuid-Afrika van een jaar geleden, werden gevolgd door overheidscampagne tegen xenofobie die naast vroom vooral cynisch was. In het kader van de Operatie Fiela veegde de politie de straten schoon van buitenlanders. En dat waren geen witte expats zoals ik. De overheid verkocht de criminalisering van zwarte illegale migranten uiteraard niet als xenofobie, maar als het herstellen van law and order. Alleen een aantal NGO’s tekenden protest aan.

De hoofdpersoon uit het recente non-fictie boek van Jonny Steinberg met de geweldige titel A Man of Good Hope, kan er over meespreken over de haat jegens de makwerekwere. Asad Abdullahi is een illegale vluchteling uit Soedan die probeert te overleven in Blikkiesdorp in de township Delft aan de buitenrand van Kaapstad. Hoewel de officiële naam, Symphony Way Temporary Relocation Area, anders suggereert, is er niets tijdelijks aan dit opvangkamp. Blikkiesdorp is een notoir miserabele en onveilige sloppenwijk waar illegalen leven naast arme gezinnen die daar voor ‘herplaatsing’ gedwongen naar toe verhuisden na uit hun huizen te zijn verdreven vanwege de Wereldcup van 2010. Blikkiesdorp is daarmee tekenend voor de manier waarop het Democratic Alliance bestuur van Kaapstad het centrum aangeveegd en relatief wit en veilig voor toeristen weet te houden: het dumpen van zwarte en gekleurde ongewensten over de Tafelberg heen. Anderzijds staat het symbool voor het geweld van zwarte Zuid-Afrikanen tegen zwarte buitenlanders. Toen in Tshwane (Pretoria) ondanks een ANC burgemeesterskandidaat voor de gemeenteraadsverkiezingen naar voren werd geschoven die een deel van het electoraat niet beviel (zij kwam uit KwaZulu-Natal), stonden de townships in brand. Slachtoffers waren uitsluitend buitenlanders.

#MustFall

Van Niekerk wees in haar lezing op de bijzondere taak van dichters in het antropoceen. Hoewel haar lezing, gedichten en romans duidelijk geëngageerd zijn, was de recente politieke, economische en sociale onrust in Zuid-Afrika daar in de VOC zaal even ver weg. Het ANC verkeert in een existentiële crisis sinds de voor haar dramatisch verlopen recente gemeenteraadsverkiezingen (ik schreef er onlangs over in dit blogbericht). Ze verloor drie cruciale metropolen: Pretoria, Johannesburg en Nelson Mandela Bay (Port Elizabeth en omstreken). Sommigen binnen de partij hebben voorzichtig geopperd dat het ANC misschien de hand in eigen boezem moet steken. Economisch staat het land er ook niet best voor. De Rand kelderde onlangs opnieuw na een nogal vage en vermoedelijk politiek gemotiveerde aanklacht tegen de door internationale investeerders vertrouwde minister van Economische Zaken, Pravin Gordhan. De prijzen van levensmiddelen stijgen en de werkloosheid onder tijdelijke werknemers neemt toe.

Daar komt nog bij dat afgelopen week zoals voorspeld op de universiteiten de vlam weer in de pan is geslagen. De #FeesMustFall protesten zijn weer in alle hevigheid opgelaaid, waarbij de sfeer grimmiger is dan een jaar geleden toen dezelfde kwesties speelden – de eis dat de collegegelden bevroren worden en op termijn helemaal afgeschaft. Op de achtergrond spelen protesten over het onderwijstaalbeleid en het koloniale of Eurocentrische curriculum. De universiteiten van Kaapstad en Johannesburg (Wits) zijn na gewelddadigheden tussen studenten, politie en particuliere bewakingsdiensten voor onbepaalde tijd gesloten, en het bestuur van de universiteit van Pretoria heeft vandaag besloten de lentevakantie, die eigenlijk volgende week zou beginnen, per direct te laten ingaan. De #FeesMustFall beweging zelf lijkt intussen aan factionalisme ten onder te gaan. Op de universiteit van KwaZuluNatal hebben wetenschappelijk medewerkers het werk neergelegd en gaan bij voortduring panden en bezittingen in vlammen op.

Morele chantage

Nederlands en Afrikaans afwisselend, evenals ironie en eruditie, sprak Marlene van Niekerk haar publiek ontspannen toe. Alleen in een cryptische bijzin zei de grand old lady van de Afrikaanse letterkunde dat je in het huidige Zuid-Afrika niet langer een eenzijdig standpunt mag innemen, ‘zeker niet als witte auteur’. Toen ik haar in het vragenkwartiertje vroeg om een toelichting, reageerde ze opmerkelijk fel. In Zuid-Afrika wordt je op dit moment gedwongen steeds tenminste ook ‘de zwarte stem’ te laten horen, op straffe van de beschuldiging van wit voorrecht. Tegelijkertijd foeterde ze dat ze zich als schrijver in van alles en iedereen mag inleven, van oude mannen, tot stenen en zandhagedissen, maar als ze een zwart personage opvoert, ze wordt beschuldigd van culturele toe-eigening. Pure propaganda, volgens haar, verwijzend naar de ‘destructieve’ studentenprotesten van het moment. Het had haar duidelijk ook gekwetst dat ze voor settler professor wordt uitgemaakt. Op mijn vraag of ze zich gecensureerd voelt, antwoordde ze dat ze zelfcensuur toepast.

Ik schrok een beetje van haar felheid. Na afloop van haar lezing zat Van Niekerk toevallig naast mij en ze bezwoer me fluisterend dat haar reactie er niet mee te maken had dat ze zich aangevallen had gevoeld, maar dat ze me aanvankelijk niet had verstaan. Ik kreeg nog een stevige hand ter bevestiging. Toch heb ik nog lang zitten nadenken over wat ze precies bedoelde. Was het zelfmedelijden, witte tranen zelfs? Of bedoelde ze dat je als witte schrijver in Zuid-Afrika op dit moment gevangen bent in een catch 22: wie geen zwart perspectief inneemt, wordt uitgemaakt voor racist, maar wie dat wel doet óók? Dat is morele chantage. En maakt het daarbij nog uit of je spreekt als schrijver of als wetenschapper?

Optreden van de ‘witte Zulu’ Johnny Clegg

Een hilarisch voorbeeld van deze spagaat is het ‘dagboek van een witte Engelssprekende Zuid-Afrikaan’ dat ik las op Heritage Day, 24 september. Deze nationale feestdag viert de verschillende culturele tradities en identiteiten in Zuid-Afrika. De journalist vraagt zich vertwijfeld af wat de culturele identiteit van haar eigen groep, Engelssprekende Zuid-Afrikanen is (antwoord: de waarde van het kerngezin). Als de dood voor beschuldigingen van culturele toe-eigening van Zulu’s (ze zingt de hit Impi van Johnny Clegg mee), eindigt ze in de modder.

“Wish I was Afrikaans. At least they have koeksisters [mierzoet gefrituurd koekje, MBo] and stuff. Not that I could eat a koeksister, because they’re on the Banting red list but it would be nice to have the option. If I was Afrikaans I could bring neighbours koeksisters as Heritage Day gift to make up for Impi faux pas. Maybe I could do it anyway? Is culturally appropriating from Afrikaans people okay? Probably not. Some of them are still stuck on the Boer War concentration camp vibes.”

Van ellende zet ze het op een drinken.

Welke ervaringen er dan precies schuil gingen achter Van Niekerks felheid en wat haar kijk is op de dekolonisatie van de academie en de republiek der letteren, kon ik haar jammer genoeg niet meer vragen, omdat ze kort daarop vertrok, verder op tournee door Nederland. Maar ondanks mijn verwarring beviel het me hoe dan ook dat Van Niekerk de huidige raciale spanningen in Zuid-Afrika onomwonden adresseerde. De meeste mensen, op een kleine vocale groep zwarte vrijheidsstrijders na, negeren het onderwerp in gezelschap met derden. De vriendelijkheid waarmee met name witte mensen hun onvrede toedekken vind ik bepaald verstikkend, omdat het een open gesprek waarin de feiten serieus worden genomen in de weg staat. Het bevalt me ook beter dan de valse sentimentaliteit van het verhaal van de rainbow nation en ubuntu dat het in Nederland anders dan in Zuid-Afrika nog steeds goed doet. Dit verhaal is evenzeer verhullend.

Het einde van de regenboog 

Geen enkele groep in Zuid-Afrika vormt een meerderheid. Naast de negen officiële inheemse talen, Engels en Afrikaans (met al haar varianten), is er ook nog een omvangrijke Indiase minderheid, gevolg van het feit dat Empire naast Zuid-Afrika ook India omvatte.

Je zou het in politiek opzicht goed nieuws kunnen vinden dat iedereen een minderheid is in Zuid-Afrika. Geen groep zou dan onder condities van democratie de macht kunnen opeisen ten koste van de andere. De ideale voedingsbodem voor een regenboog natie, zou je zeggen. Maar ik herinner me nog goed het moment waarop het me plots begon te dagen dat ik niemand hoor spreken over ‘het Zuid-Afrikaanse volk’, zelfs niet in de klassiek-republikeinse zin van een demos. Het volk, the people, wordt weliswaar voortdurend aangeroepen, maar dan vooral als retorisch instrument om de eigen onvrede kracht bij te zetten: deze regering cq. president is een verraad aan het volk. De eigen groep met haar gelijk als plaatswaarnemer van het volk.

Untitled.png

Aanhangers van de Zion Christian Church tijdens een openlucht dienst, Melville Koppies, Johannesburg

Delen de verschillende groepen dan niets? Ik heb links en recht wel wat kandidaten voor gedeelde cultuurgoederen opgevangen. Rugby bijvoorbeeld. Maar dat is toch echt een witte sport, en verenigt daarin hoogstens Afrikaners en Engelsen (zwarte mensen kijken naar en doen aan voetbal). Het politieke genie van Mandela schuilt er precies daar in dat hij vrijwel meteen na zijn inauguratie als president een rugbywedstrijd bezocht, omdat hij inzag dat verzoening tussen de groepen in het belang van de toekomst van het land was en dat dus de harten van de witte mensen gewonnen moesten worden (de rest had hij immers al grotendeels mee). Op safari gaan? Nee, buitenleven, wildparken, buitensporten en de natuur in het algemeen zijn hartstikke wit. De gekleurde taxichauffeur die mijn vriendinnen L. en P. vanuit Kaapstad onderaan een berg afzette, kon het niet geloven dat wij daar echt, en ook nog voor onze lol, op zouden gaan klimmen. En in het Krugerpark waren de enige zwarte mensen die ik zag de schoonmakers. Het geloof dan? Hoewel de gelovigheid hoog is onder alle groepen (Engelssprekenden vormen misschien de meest ontkerkelijkte groep), gaat iedereen naar een andere kerk. Afrikaners zijn Nederduits Gereformeerd, Engelsen gaan naar de Anglicaanse kerk en zwarte mensen belijden hun geloof in een van de vele Evangelische kerkgenootschappen. Voor witte mensen is de combinatie van het christendom met het geloof in voorouders en traditionele genezers (sangoma’s) dat onder alle zwarte en gekleurde groepen gevonden wordt, onbegrijpelijk. En iedereen legt dan wel regelmatig een lap vlees op een barbecue, maar braaien als cultuur is toch echt Afrikaans (geen ‘licht, een vuurkolom, een Geest, een Hoger Idee, een Ideaal van Eenheid of zoiets’, maar toch, een cultuurelement). Hou ik over: veel vlees eten (iedereen is het er roerend over eens dat vegetariërs ofwel niet goed bij hun hoofd zijn, ofwel zielig want te arm om zich vlees te kunnen permitteren).

Het ‘einde van de regenboog’ betekent in Zuid-Afrika iets anders dan elders. Net zoals ubuntu is verworden tot holle marketingterm, zo kan wie tegenwoordig spreekt over de rainbow nation, louter op hoon rekenen. Een goedbedoelde leugen. Grapjassen merkten al snel op dat de regenboog bovendien geen zwarte en witte banen heeft.


  • Ik bezocht het symposium ‘Menselijke natuur? Herinnering, ecologie en esthetiek in hedendaagse Afrikaanse letterkunde’, georganiseerd door de afdeling Literatuurwetenschap, Universiteit van Amsterdam, 23 september 2016.
  • De lijst met geraadpleegde literatuur volgt aan het einde van Deel 3 van deze serie.
Advertenties

2 gedachtes over “Triomf en existentiële angst. Deel 1: de driehoek van identiteit 

  1. Pingback: Beste witte mensen | Essays over wereld
  2. Pingback: Bram Fischer | Essays over wereld

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s