De politiek van stank en lawaai

De vuilnismannen in Johannesburg staken al ruim een week. Het CBD, de binnenstad, raakt met de dag meer vervuild. Het straatvuil wordt door de hawkers, de straatverkopers, op grote hopen geveegd, waar het zich vermengt met vuilniszakken. Maar Johannesburg is door haar ligging⎯op 1750 m. zo hoog dat water kookt bij 96 °C.⎯ nogal winderig en daardoor verwaaien de plastic zakjes, de rotte groenten en fruit en de bakjes waaruit pap(maïspap) en kip worden gegeten over de straten. De troep wordt groter doordat vrijwel iedere dag protestmarsen van vuilnismannen door de straten trekken, gewapend met stokken waarmee ze mensen op straat bedreigen en vuilniszakken en – containers stuk slaan om het afval over de straten uit te smeren (een kliko blijkt ook prima dienst te kunnen doen als marstrommel). De straten zijn inmiddels bedekt met een dikke plakkerige laag, de vuilnishopen beginnen ondraaglijk te stinken en bijna iedere avond moet de brandweer uitrukken om smeulende of fikkende hopen te blussen. Het is warm, dus ramen en balkondeuren staan open, en zo vult de stank van verbrand rubber het huis. De ratten hebben het dik naar hun zin. Hoewel de staking de hele stad betreft, zijn collega’s in de rijke buitenwijken verbaasd als ik ze vraag naar hun ervaringen met de staking. Het huisvuil wordt daar door private bedrijven opgehaald, en het probleem van straatvuil is sowieso beperkt in wijken zonder noemenswaardige gedeelde openbare ruimte.
pikitup_citizen-co-za_700

Podium

Wie aandacht wil eisen voor zijn of haar zaak, vindt in de binnenstad een gigantisch openlucht podium. De afgelopen weken demonstreerden hier achtereenvolgens de koepelorganisatie van vakbonden Cosatu, studenten van beide universiteiten in Johannesburg, de militant-linkse partij Economic Freedom Fighters, de schoonmakers van de universiteiten, postbodes, en dan nu de vuilnismannen. Want wat is zichtbaarheid zonder gezien te worden? Waar de straten in de buitenwijken op elk moment van de dag grotendeels uitgestorven zijn, daar is een publiek hier steeds ruim voor handen. En daarnaast doen de openbare ruimte en publieke voorzieningen er hier werkelijk toe. De illusie dat je je volledig kunt emanciperen van zoiets als de publieke zaak, kunnen de bewoners van de binnenstad zich simpelweg niet permitteren. Zij kunnen het zich niet veroorloven om een privé-beveiligingsbedrijf in de arm te nemen, of een generator te aan te schaffen om de klappen op te vangen van load shedding, de veel beklaagde geplande stroomonderbrekingen door nationaal energiebedrijf Eskom. Voor hun boeken en kranten zijn ze aangewezen op de openbare bibliotheek, enzovoorts.Het is niet helemaal duidelijk waarom de vuilnismannen staken. De dagelijkse demonstraties geven daarover geen uitsluitsel. De mannen dragen geen spandoeken of protestborden waarop ze hun ongenoegen uiten of eisen stellen. Evenmin zingen ze protestliederen. Wat ik zie vanaf mijn balkon op de 13e verdieping is louter een wanordelijk en dreigend ogende groep mannen met stokken. De publieke opinie weten ze zo niet voor zich te winnen. In de lift klagen bewoners over de overlast, maar ook dat ze zich geïntimideerd voelen door de vuilnismannen.

Democratisch ongemak

Ik heb ook behoorlijk last van de staking, maar ik bedenk me dat democratisch protest naar de aard van de zaak nooit helemaal gezellig is, of in dit geval: schoon. Vóór de anti-Zwarte Piet protesten bij Sinterklaasintochten en, uit een heel andere hoek, de opstand van boze burgers tijdens gemeentelijke inspraakavonden over de opvang van vluchtelingen, kon je bij veel demonstraties in Nederland de afgelopen jaren nog wel eens denken dat je op een zomerfestival was beland en vergeten dat protest strijd is.Later hoor ik op de radio een woordvoerder van de vakbond voor gemeentewerkers, Samwu, dat de stakingen gaan over de erbarmelijk lage salarissen en over de precaire arbeidsrechtelijke situatie van de vuilnismannen. Mijn irritatie slaat om in democratisch ongemak.

Studentenprotesten

Het verschil met de studentenprotesten van een maand geleden kan niet groter zijn. Door het hele land demonstreerden studenten grotendeels geweldloos en toonden zich zeer welbespraakt. Ik zag veel scherpe en vaak geestige spandoekteksten, er werd slim gebruik gemaakt van sociale media, opiniestukken, radio- en tv-optredens. Hun ongenoegen plaatsten ze in een bredere context. Door conservatieve Afrikaner media werd uiteraard geklaagd over hooliganism, maar met één incident (in Johannesburg reed een man in op een menigte studenten en werd daarna met auto en al omgeduwd; hij kwam er met een hoofdwond van af) was deze diskwalificatie niet erg overtuigend. Mijn indruk was dat de reactie van gematigde commentatoren overwegend voorzichtig-welwillend was. De links-liberale media, de krant Mail & Guardian voorop, waren euforisch. De laatste kopte op 23 oktober: Free for all. De geschiedenis zal hen zich herinneren als de generatie die niet langer stil was.

Screen-Shot-2015-12-19-at-14.06.49_433.png

Rechteloosheid

Terwijl de overlast van de vuilstaking op straat toeneemt, schrijf ik voor een wetenschappelijk tijdschrift een recensie over een prachtig boek, Rightlessness in an Age of Rights (2015) van de Amerikaanse politieke filosoof Ayten Gündoğdu. Zij constateert dat in het ‘tijdperk van de mensenrechten’ dat na de Tweede Wereldoorlog is aangebroken, grote groepen mensen een uiterst precaire rechtspositie hebben: de ‘rechteloosheid’ in de titel van het boek. Zo is het voor vluchtelingen en illegalen vaak moeilijk zo niet onmogelijk om aanspraak te kunnen maken op de rechten die ze formeel misschien hebben, bijvoorbeeld hun recht op juridische bijstand en op beroep tegen detentie of deportatie. Er is een spanning, of soms regelrechte tegenspraak tussen mensenrechten en de instituties die die rechten moeten garanderen en handhaven, stelt Gündoğdu. Dat is niet louter toevallig volgens haar, of een teken dat mensenrechten alleen maar nóg beter moeten worden uitgevoerd, zoals de overheersende opvatting is onder politici, NGO’s, mensenrechtenactivisten en politiek filosofen. Die opvatting is blind voor de dubbelzinnigheden van het mensenrechten kader. Maar het is evenmin onvermijdelijk dat het mensenrechten kader leidt tot gewelddadige uitsluiting van gemarginaliseerde groepen, zoals veel radicale critici van de mensenrechten menen.

Minimumniveau

De kwetsbare rechtspositie van vluchtelingen, asielzoekers en illegalen is onder meer het gevolg van nationale (en in het geval van Europese landen: EU) wetgeving die internationaal recht aan banden probeert te leggen. Zo presenteerde de VVD onlangs het plan Grenzen aan de opvang. In een toelichting in het Algemeen Dagblad zei fractievoorzitter Halbe Zijlstra dat de VVD soberder opvang en voorzieningen voor asielzoekers voorstaat, om Nederland zo minder aantrekkelijk te maken voor vluchtelingen. “We moeten naar een minimumniveau voor vluchtelingen”. De huidige rechten van vluchtelingen met een tijdelijke verblijfsvergunning moeten drastisch worden teruggesnoeid. Daartoe moet de Vreemdelingenwet uit 2000 worden aangepast, vindt Zijlstra. Dat is volgens hem mogelijk binnen de grenzen van het Vluchtelingenverdrag (Convention Relating to the Status of Refugees van 1951) waaraan Nederland zich heeft gebonden, een VN verdrag gebaseerd op de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (1948). Immers, “Wij bieden ze [asielzoekers] sobere basisvoorzieningen. Eten, kleding, onderdak, zorg en voor de kinderen ook onderwijs” – bed, bad en brood dus, plus spoedeisende medische hulp. Maar: “niet meer dan dat”.

Humanitarisme

Een van de sterkste argumenten van Gündoğdu’s boek is dat er daarnaast ook niet strikt juridische mechanismen bestaan die de precaire rechtspositie van gemarginaliseerde groepen in de hand werken. Het belangrijkste voorbeeld daarvan is ‘humanitarisme’, een benadering van mensenrechten die is gestoeld op medelijden, administratief beheer of militaire interventie. Wat deze verschillende vormen van humanitarisme met elkaar delen, is dat ze het lichaam van de vluchteling of de illegaal tot de belangrijkste plaats voor het claimen van rechten maken, niet zijn of haar betekenisvolle spreken, zoals het vluchtverhaal van de asielzoeker of het protest van vluchtelingen in kampen en van illegalen op straat. Een voorbeeld is de beslissing over asielaanvragen. In een klimaat van toenemend wantrouwen laten ambtenaren die moeten oordelen over het vluchtverhaal van asielzoekers, de beslissing liever over aan experts die het lichaam als bron van objectieve data onderwerpen aan wetenschappelijk gestaafd onderzoek. De asielzoeker kan liegen over zijn of haar biografie, het lichaam niet, is het idee. Een nogal stuitend voorbeeld is het tonen van homoseksuele porno aan asielzoekers, om aan het optreden dan wel uitblijven van een fysieke reactie te bepalen of hun vluchtreden inderdaad zoals ze zeggen hun seksuele oriëntatie is.

Bed, bad, brood

De focus op het lichaam maakt ook dat instituties als regeringen, de VN Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen (UNHCR) en mensenrechtenhoven er toe neigen mensenrechten terug te brengen tot basale fysieke behoeften en hun taak zien als de directe leniging van de nood van vluchtelingen en illegalen. Zijlstra’s ‘minimumniveau’ is daarvan een voorbeeld, maar het morele appel om ‘bed, bad, brood’ te bieden aan mensen in nood door hulporganisaties die vaak oprecht het beste met hen voor hebben, is dat óók.Met name wat Gündoğdu de ‘morele economie van medelijden’ noemt, werkt de rechteloosheid van vluchtelingen vaak alleen maar in de hand, omdat ze als weinig anders meer worden gezien dan een lid van een homogene massa lijdende lichamen, in het geval van Europa letterlijk een zee van lijden. Ze behoren niet langer tot een politieke gemeenschap, en daarmee verliezen ze ook iets van hun menselijkheid. Mensen die ‘niet meer dan mens zijn’, dat wil zeggen, op Zijlstra’s ‘minimumniveau’ leven ‘en niet meer dan dat’, blijken hun menselijke waardigheid te verliezen, in de ogen van anderen, maar óók in die van henzelf. Ze worden als het ware stom, of in de woorden van de Franse filosoof Jacques Rancière, hun spreken verschijnt als louter ‘lawaai’.

Zielig

Want een deel van de Europese bevolking (net als hun regeringen, Zijlstra’s retroriek is zoals bekend bepaald geen uitzondering in Europa) mag vluchtelingen zien als bedreiging – van onze welvaart en veiligheid – en op z’n best vinden dat alleen aan ‘schrijnende gevallen’ ‘sobere basisvoorzieningen’ geboden zouden moeten worden; en wel tijdelijk, tot ze weer ‘terug naar huis’ kunnen. Een ander deel van de bevolking ziet vluchtelingen daarentegen vooral als slachtoffers⎯bijvoorbeeld van Assad, IS, en minstens zo zeer van de geopolitieke verhoudingen en hardvochtige Westerse landen⎯en vindt dat ze onze gastvrijheid verdienen. De foto van het verdronken Syrische jongetje zorgde afgelopen september voor een storm van morele verontwaardiging en liefdadigheid. Maar medelijden is wispelturig en kent meestal een natuurlijk einde. Bijvoorbeeld zodra we ons realiseren dat het onmogelijk is het leed van de hele wereld op onze schouders te dragen, of dat het soms al moeilijk genoeg is om ons eigen dagelijks leven op de rails te houden. Of wanneer sommige vluchtelingen helemaal niet zielig blijken te zijn, kan medelijden zorgen voor een backlash. Medelijden blijkt makkelijk te kunnen omslaan in vijandigheid, zoals bij de mevrouw die ik pas verontwaardigd hoorde zeggen dat ‘al die Syrische vluchtelingen het nieuwste model iPhone hebben’. Ze wilde maar zeggen: Syriërs zijn helemaal geen echte vluchtelingen, want ze zijn niet zielig. Vluchteling = zielig, en andersom: wie niet zielig is (arm, kansloos, of ongeschoold), is geen echte vluchteling. Maar gunsten zijn geen rechten, zelfs niet als die gunsten uit de goedheid van het hart komen.

Vertaling

Humanitarisme depolitiseert dus volgens Gündoğdu de mensenrechten. Daar plaats zij een politieke opvatting van mensenrechten tegenover. ‘Politiek’ verwijst daarbij voor haar niet naar gevestigde instituties, maar naar politiekepraktijken, bovenal de collectieve strijd door de rechtelozen zelf. Mensenrechtennormen en -kaders worden getekend door een zekere toevalligheid (‘contingentie’, in filosofisch jargon) en dubbelzinnigheid. Daardoor hebben ze geen eeuwige onveranderlijke inhoud, en zijn altijd onvoldoende om zoiets als een menswaardig bestaan voor iedereen te garanderen. Ze hebben steeds opnieuw politiek handelen nodig om ze nieuw leven in te blazen. Soms door voort te bouwen op wat er al was, en bestaande mensenrechten voor steeds grotere groepen mensen op te eisen, maar soms ook door ze een verrassende wending te geven en nieuwe rechten te maken. Net als bij re-ensceneringen zoals de Passiespelen waarin het naspelen van historische gebeurtenissen per definitie nooit een exacte herhaling is van de oorspronkelijke gebeurtenis, zo gaat het er bij de mensenrechten om ze steeds opnieuw te stichten en te funderen, betoogt Gündoğdu.

sans-papier-droits-de-lhomme_500.jpg

Met name door zelfbewust nieuwe mensenrechtenverklaringen op te stellen, maken rechtelozen (niet-burgers en tweederangs burgers) steeds opnieuw een revolutionair nieuwe begin. Vaak hebben deze groepen ‘geen poot om op te staan’: ze kunnen zich formeel nu precies níet beroepen op rechten en nemen dus als het ware een voorschot op de toekomst. Toch maakt dat die verklaringen volgens Gündoğdu niet louter willekeurig. Dat revolutionaire handelen vereist een vertaling, dat wil zeggen: rechtelozen en marginalen moeten hun problemen representerenals kwesties van algemeen belang, zelfs, of misschien wel juist, als dat het uitdagen van de bestaande mensenrechten inhoudt door het herdefiniëren van wat we eigenlijk verstaan onder vrijheid en gelijkheid (‘vrije gelijkheid’, equaliberty, is volgens de Franse filosoof Étienne Balibar het ‘principe’ van de mensenrechten). Rancière noemt dit het ‘recht van de rechtelozen’: “het zichtbaar maken van wat eerder niet gezien mocht worden, het hoorbaar maken van een betekenisvol spreken (discourse) waar ooit slechts plaats was voor lawaai”. Gündoğdu’s belangrijkste voorbeeld is de Sans Papiers beweging die in 2006 in Frankrijk luid van zich liet horen. De Wij zijn hier beweging is een recenter Nederlands voorbeeld.

Luister

De recente Zuid-Afrikaanse studentenprotesten zijn een schoolvoorbeeld van het soort legitieme strijd dat Gündoğdu voor ogen staat. De studentenbeweging vertaalde de ongenoegens van de studenten inderdaad steeds vaardig en overtuigend naar een veel bredere strijd. “Het gaat niet om Rhodes, outsourcen en collegegeld alleen, maar om het definiëren van een nieuwe samenleving voor alle Zuid-Afrikanen… om een oproep tot het ontwikkelen van een nieuw vocabulaire en tot structurele en institutionele vernieuwingen,” zoals een student het verwoordde. “Tot nu toe zagen we als reactie onder bestuurders een strategie die een probleem per keer probeerde ‘op te lossen’ en zich verder zo veel mogelijk gedeisd probeerde te houden tot de beweging over zou zijn overgewaaid…. Ditmaal heeft deze strategie gefaald.” De tijd van piecemeal engineering, het stap voor stap aanpakken van kleine problemen, is voorbij, die van revolutie is aangebroken, is de boodschap.

Er heerst een diep onbehagen over de enorme maatschappelijke ongelijkheid ruim twee decennia na het einde van de witte minderheidsdictatuur, over de desastreuze effecten op de kwaliteit van het onderwijs (die begint bij het basisonderwijs), over de restanten van de koloniale en Apartheidserfenis in het curriculum, de samenstelling van het academische personeel, en het onderwijsfinancieringsstelsel.

De protesten begonnen met de ontmanteling van standbeelden die koloniale en Apartheids-kopstukken eren (#RhodesMustFall). Daarna eisten studenten het terugdraaien van de voorgenomen verhoging van de collegegelden en de afschaffing ervan op termijn (#FeesMustFall), de ‘decolonisering’ van het curriculum, de ‘transformatie’ van de staf, ofwel het aanpakken van de bevoordeling van witte docenten en onderzoekers, het taalbeleid van de universiteiten, wit racisme en suprematie onder studenten (de documentaire Luister, #OpenStellenbosch), exorbitante salarissen onder universiteitsbestuurders en het detacheren van ondersteunend personeel (#OutsourcingMustFall). De studenten verwezen in hun analyses naar de samenhang tussen verschillende ideologische krachten: kolonialisme en Apartheid; kapitalisme, neoliberalisering en de mythe van meritocratie; en het patriarchaat. Ze lieten zien hoe deze ideologieën doorwerken via subtiele en minder subtiele mechanismen.

Zichtbaarheid en hoorbaarheid

De born-free generatie – geboren na 1994 – heeft bewezen dat ze allesbehalve apathisch is zoals hen vaak is verweten en daarmee iedereen verrast, inclusief zichzelf, zo leek het soms. Ook mij verraste het. Tot dan toe vond ik de zwarte studenten aan de universiteit waar ik werk, de Universiteit van Pretoria, nogal inschikkelijk en afwachtend. In een honours college over Europese en Afrikaanse postkoloniale filosofie dat ik onlangs samen met een collega-filosoof gaf, viel het mij op dat de zwarte studenten zich nogal op de vlakte hielden wanneer we etnische ongelijkheid of de ‘dekolonisering van de universiteit’ bediscussieerden, terwijl een groot deel van de witte studenten over elkaar buitelde in hun morele verontwaardiging (overigens waren dat vooral Europese uitwisselingsstudenten; de aanwezige Afrikaners waren over het algemeen ook terughoudender). Later pas bedacht ik me dat kritiek op informele Apartheid en de ‘kolonisering van de academie’ wellicht makkelijker is voor witte mensen. Misschien zelfs te makkelijk, want vrijblijvender. Ik realiseerde me dat zwarte studenten, vaak de eerste generatie in hun familie die het hoger onderwijs betreedt, iets te verliezen hebben, zoals erkenning binnen het academische establishment en de toegang tot een plek in de nog steeds door witten gedomineerde hogere regionen van de arbeidsmarkt. De #⎯MustFall protesten hebben laten zien dat mobilisatie voor een gedeelde zaak en gezamenlijk handelen schijnbare inschikkelijke individuen kunnen politiseren.

De studenten wisten heel goed hoe ze er voor moesten zorgen dat er naar hen geluisterd werd. Natuurlijk waren er burgers die hen uitmaakten voor relschoppers en hooligans⎯lawaaimakers dus, om Rancière nog eens te parafraseren⎯, maar veel studenten stelden zichzelf daar assertief tegen te weer, door het te ontmaskeren als een veelbeproefde strategie om anderen te diskwalificeren. En misschien zelfs een racistische strategie, die zwarte toyi-toyi , protestliederen en -dansen, weg kan zetten als redeloze woede.

Zelfs het zichtbaar en hoorbaar maken van wat tot dan toe geen bestaansrecht had werd benoemd. In een mooi stuk schrijft journalist en Ruth First fellow aan de universiteit van de Witwatersrand Sisonke Msimang dat de moed van de studenten die de straat op gingen ook de oudere generatie heeft geïnspireerd om hun verhaal te vertellen. “We beginnen allemaal te begrijpen dat wat verborgen was nu publiek moet worden gemaakt.”

Luister_642.jpg

Voetsek

Toen Mmusi Maimane, de onlangs aangetreden nieuwe leider van de Democratic Alliance (een overwegend witte partij die deel uitmaakt van de wereldwijde federatie van liberale partijen waar ook D66 in zit) zich wilde aansluiten bij de protesten op de campus van de Universiteit van Kaapstad, UCT, hadden de demonstranten onmiddellijk door wat er aan de hand was: politicking, politiek opportunisme. Maimane werd kil ontvangen en ‘Voetsek!” te verstaan gegeven (voort se ek, ga weg, zei ik, ofwel: rot op) en droop af met de staart tussen zijn benen.

De beweging werd verder gekenmerkt door een gezonde strijdigheid. Vrouwen en seksuele minderheden waren opvallend zichtbaar aanwezig en stelden assertief seksisme in de protestbeweging aan de kaak. Op opiniepagina’s en internetfora werd verhit gediscussieerd, onder meer over de rol van etniciteit en de plaats van geprivilegieerde, veelal witte, studenten in de protestbeweging, over de reactiviteit van witte schuldgevoelens en het verschil tussen ‘wit’ en witheid’ (de laatste discussie kwam me op een gegeven moment overigens voor als louter semantisch).

Held/in

Verder waren er discussie over het belang van individuen en de groep. Toen het glossy tijdschrift Destiny op de cover van haar decembernummer een foto plaatste van Nompendulo Mkatshwa, de voorzitter van de studentenraad van Wits leidde dat tot kritiek. Enerzijds waren veel lezers aangenaam verrast om een (zwarte) vrouw te zien bij de kop #FreeEducation: Year of the Student, omdat de rol van vrouwen in revoluties en protestbewegingen maar al te vaak wordt weggepoetst. Maar anderzijds was er veel kritiek op wat werd ervaren als het terugbrengen van gezamenlijk politiek handelen tot een cultus van individuele leiders, tot een verhaal met een duidelijke held of heldin. En inderdaad, wat opviel was de gezichtsloosheid van de beweging: niemand in het bijzonder eiste het leiderschap en woordvoerderschap op. Dit verschijnsel zagen we overigens al eerder bij Occupy en de Arabische lente.

Vertegenwoordigers van lokale studentenraden, de landelijke studentenorganisatie SASCO, de EFF en het ANC deden mee aan de protesten, maar nergens kregen benepen groepsbelangen de overhand. Een filosofiestudent van UCT wiens scriptie ik begeleid, vertelde me dat hij, wars als hij is van groepen, net als de meeste andere studenten die hij kende op eigen titel meeliep in de demonstraties in Kaapstad.

Succes

Voor de radicaal-linkse populistische en nogal autocratische politicus Julius Malema moet het pijnlijk zijn om te zien dat de studentenbeweging vooralsnog veel succesvoller lijkt dan zijn eigen beweging, de Economic Freedom Fighters. Er heerst een tamelijk opgetogen stemming, over de mobilisatie die⎯schijnbaar⎯uit het niets kwam, het verloop van de protesten en het effect ervan. Ik som een aantal directe resultaten op. Na twee weken van protest ging de verhoging van de collegegelden al van de baan. De taalpolitiek op de Universiteit van Stellenbosch is omgegooid: met ingang van het aankomende academisch jaar (dat in Zuid-Afrika begint in januari) wordt er niet meer uitsluitend in het Afrikaans college gegeven. Op 1 december kondigde de rector, Wim de Villiers, op de website van de universiteit aan dat de Stellenbosch ‘geen Afrikaanse, noch een Engelse of een Xhosa institutie is, maar een meertalige Zuid-Afrikaanse universiteit’. In Johannesburg en Kaapstad sloten schoonmakers zich aan bij deze strijd. De rector van de Universiteit van de Witwatersrand, Adam Habib, verklaarde met onmiddellijke ingang ondersteunend personeel in dienst van de universiteit te nemen (insourcing). Door de protesten werd de Minister van Onderwijs Blade Nzimande gedwongen een onderzoekrapport openbaar te maken dat hij al drie jaar in een la had weggestopt. Dat onderzoek, dat nota bene in opdracht van hemzelf werd uitgevoerd, berekent dat gratis hoger onderwijs in Zuid-Afrika haalbaar is.

Hok

Hoewel sommige commentatoren schreven dat de studenten, nu ze hun succesje hadden geboekt, weer terug hun hok in moesten, wijst alles er op dat dat niet zal gebeuren. Verwacht wordt dat de protesten in januari weer zullen oplaaien aan het begin van het nieuwe academisch jaar. Om hun bul dan in ontvangst te kunnen nemen, moeten afstudeerders hun studieschuld hebben afbetaald. En de collegegelden zijn weliswaar bevroren, voor nu, maar over het academisch jaar 2017 is nog niets afgesproken, laat staan dat er duidelijkheid is over de afschaffing van de collegegelden op termijn. En Nzimande’s rapport kan niet meer ongemerkt in de la verdwijnen en studenten roepen om zijn aftreden.

Gündoğdu waarschuwt er voor niet te snel te juichen. Deze beweging mag dan veelbelovend zijn, ze kan ook omslaan in een patriarchaal soort militantisme, of nieuwe scheidslijnen aanbrengen tussen witte en zwarte burgers in plaats van ze af te breken, zoals de invloedrijke Kameroenese postkoloniale filosoof Achille Mbembe, hoogleraar aan de Universiteit van de Witswatersrand, afgelopen week in een interview met Bram Vermeulen in NRC waarschuwde). De gezichtloze beweging kan worden gekaapt door facties. Kortom: de strijd blijft onbeslist, zoals de titel van de conclusie van Gündoğdu’s boek luidt.

untitled_407

Stank

Vergeleken met de studenten, produceren de vuilnismannen in mijn straat slechts ‘lawaai’ ⎯en, in dit geval, stank. Maar vuilnis hoeft niet perse ‘stank’, dus een a-politiek middel te zijn. Ook dat heeft de recente studentenbeweging laten zien. Vuil staat zelfs aan de oorsprong van die beweging. Op 10 maart van dit jaar gaf Chumani Maxwele het startsein aan de mobilisatie van #RhodesMustFall door op de campus van UCT een emmer met menselijke uitwerpselen over het beeld van Cecil John Rhodes uit te gieten. Later die maand werd het beeld netjes ingepakt in vuilniszakken. Maar anders dan bij de vuilnisstakingen, werden vuil en stank hier ‘getransformeerd’ tot iets betekenisvols. Lees bij het ‘poepprotest’: Ik schijt op Rhodes, of: de koloniale erfenis stinkt. Vertaling van de vuilniszakkenactie: kolonialisme hoort op de vuilnishopen van de geschiedenis; of: Rhodes verdient een zak over zijn hoofd. De krantenlezer hoefde het er zelf niet bij te verzinnen, want de studenten waren zeer bereid hun acties ter plekke of na afloop in interviews in de media toe te lichten. Uiteindelijk werd het standbeeld in april onder veel media-aandacht door de universiteit neergehaald.

4c25260e97fb426d837a38d215f86a88_754

Beeldenstorm

De beroemde Zuid-Afrikaanse fotograaf David Goldblatt, de maker van de foto hieronder, stelt zich op het standpunt dat het verwijderen van koloniale standbeelden niet de juiste manier is om met beladen erfgoed om te gaan. In een interview vertelde hij afgelopen april dat hij heel goed begrijpt dat koloniale en Apartheidsrelikwieën in de openbare ruimte burgers tegen de borst stuiten, maar directe actie tegen standbeelden te verafschuwen. Zijn voorkeur gaat uit naar de oplossing van de gemeente Boedapest, die het zichtbare Stalinistische erfgoed uit de stad heeft weggehaald en daarna heeft verzameld in een publiek toegankelijk park aan de rand van de stad. Aan zo’n kerkhof van de geschiedenis zou iedere plaats van enige omvang in Zuid-Afrika vermoedelijk wel een flink stuk grond kwijt zijn. Tijdens mijn reizen door dit land heb ik me verbaasd over de alomtegenwoordigheid van de Rhodes-en (ook in Kaapstad, trouwens), Botha’s, Smutsen, Oom Pauls (Kruger), van Riebeecks en Onze Jans (Hofmeyr)⎯naast de Mandela’s, Ghandi’s, Plaatjes, Sisulu’s en Baarts.

goldblatt-rhodes-statue_500.jpg

Gezellig

Vernielingen staan haaks op wat volgens Goldblatt de kern van democratie is: discussie. Maar was #RhodesMustFall niet precies een vorm van discussie? Beleefde uitwisseling van argumenten vindt vooral plaats tussen mensen die het toch al met elkaar eens zijn. Nogmaals: protest dat al te gemoedelijk is en niet ongemakkelijk stemt, doet er aan twijfelen of er wel daadwerkelijk iets op het spel staat. Dat zag je afgelopen woensdag nog in Zuid-Afrika, tijdens landelijke demonstraties tegen president Zuma. In Kaapstad was de sfeer op deze nationale feestdag in de Company’s Garden (de VOC tuinen in het hartje van de stad) reuze gezellig, noteerde een journalist van de Mail & Guardian. Aan het commitment van de demonstranten moest echter getwijfeld worden. Rond 13.00 uur glipten veel van de (hoofdzakelijk witte) demontranten weg naar een hippe koffiebar aan de overkant van de straat. “#ZumaMustFall, maar wel graag voor de brunch”. Het commitment van de #RhodesMustFall beweging stond daarentegen buiten kijf. De methoden waren beslist confronterender, maar er is geen geweld tegen personen gebruikt, van bruut vandalisme was ook al geen sprake (poep en vuilniszakken laten zich gemakkelijk verwijderen) en het universiteitsbestuur heeft uiteindelijk zélf besloten het standbeeld te ontmantelen.

Maar misschien was het beter geweest als het beeld van Rhodes was blijven staan, mét zak. De verpakking zou dan liefdevol onderhouden moeten worden, zoals toch vaker gebeurt met de bloemenkransen, knuffeldieren en kaarsen bij standbeelden. Het zou een prachtig podium bieden voor toekomstig protest tegen neo-kolonialisme.

Legitimiteit

Veel zwarte studenten ontbreekt het weliswaar aan sociaaleconomisch kapitaal, maar hun culturele en intellectuele kapitaal compenseert dat in elk geval gedeeltelijk, al was het maar omdat het hen in staat stelt ongelijkheid, armoede en ongelijke toegang tot hoger onderwijs en de arbeidsmarkt aan de kaak te stellen. Dat is natuurlijk de superieure ironie, of volgens sommigen het gevaar, van onderwijs: een mogelijke bijwerking is de emancipatie van pupillen die er op kan uitlopen dat ze zich keren tegen de vader of moeder.

Maar niet iedereen is zo zelfbewust en gearticuleerd in staat media te mobiliseren. Ik ga er van uit dat de meeste vuilnismannen die meelopen in de protesten on- dan wel laaggeschoold zijn. Waren ze dat niet, dan zouden ze er vast niet over piekeren om een baan te kiezen die hen nauwelijks in staat stelt op Zijlstra’s ‘minimumniveau’ te leven. Bungelend onderaan een arbeidsmarkt die bovendien geen minimumloon kent (onlangs nog bekritiseerd door Thomas Piketty in zijn Nelson Mandela lezing; lees hier mijn blogbericht), is hun bestaanszekerheid precair. Dat is immers de reden dat ze demonstreren.

Gefluister

Niemand plaatst een foto van deze vuilnismannen in een glamour blad. Ik heb geen persberichten gezien van de stakers zelf, of zelfs maar een discussie op een internetforum. De mannen hadden geen #-slogan, en klaarblijkelijk was niemand bereid er een voor hen te verzinnen. Weliswaar werden ze vertegenwoordigd door de vakbond, maar die vertegenwoordiging was zwak. Alleen wie echt wilde (en dat gold maar voor weinigen, want de buurt hadden ze door hun agressieve optreden tegen zich in het harnas gejaagd), kon bijna gefluisterde verklaringen van woordvoerders horen. Heel anders dus dan de stakingen van de schoonmakers van de NS in 2014. Zij werden uitstekend vertegenwoordigd door de FNV en, als ik me goed herinner, de SP. Mijn indruk was indertijd dat treinreizigers beslist last hadden van het zich opstapelende vuil, maar ook een zeker begrip voor de stakingen konden opbrengen. Hun irritatie richtte zich bovendien vooral op de NS, niet op de schoonmakers. Maar belangrijker, om vertegenwoordiging gaat het Gündoğdu nu precies níet. Om aan de valkuil van het medelijden te komen, moeten gemarginaliseerden zelfbewust hun eigen strijd op zich nemen, hoogstens gesteund door solidaire buitenstaanders, die echter niet de kans moeten krijgen zich hun zaak toe te eigenen.

Loop ik in genoemde valkuil? Of is er iets mis met Gündoğdu’s ‘politiek van vertaling’? Ik zie geen articulatie, representatie, of transformatie van onbehagen in iets, een ‘verhaal’ zoals dat heet, waarmee ik het eens of oneens kan zijn, maar ontneemt dat de protesten van de vuilnismannen automatisch hun legitimiteit?

Pikitup_482.jpg

fire-939052_1920-435x244_435.jpg
Boven: stakende vuilnismannen steken kliko’s in brand voor het hoofdkantoor van het gemeentelijke reinigingsbedrijf Pikitup in Braamfontein, binnenstad Johannesburg. Onder: boze burgers protesteren tegen de komst van een asielzoekerscentrum in Geldermalsen, 17 december. De rellen haalden het BBC nieuws

Drijfzand

Het is makkelijk om cynisch, of op z’n minst achterdochtig, te worden. Want wie bepaalt eigenlijk, en op grond waarvan, wat ‘lawaai’ en ‘stank’ is, en wat ‘betekenisvol spreken’? Hoe bepalen we of iemand met een grote mond welbespraakt is of slechts een schreeuwlelijk? Wanneer geldt het pareren van het relschopper-verwijt als een geslaagde ontmaskering, in plaats van een jij-bak, een drogredenering dus? Tot de verbijstering van veel politieke commentatoren zijn Donald Trumps uitingen zeer effectief: hij domineert de berichtgeving over de presidentkandidaatsverkiezingen volledig en bovendien ziet zelfs Hillary Clinton zich gedwongen met hem in debat te gaan omdat ze het zich electoraal niet kan permitteren zijn woorden op te vatten als geschreeuw. Hoe, op grond van elk criterium, onderscheidt je effectiviteit en legitimiteit? Is het terecht dat in Zuid-Afrika, inderdaad, werd geluisterd naar de studenten en niet naar de vuilnismannen? Waarom stinkt hún vuil wel, en dat van de studenten niet? Wat maakt de #-MustFall tot een ‘bestudeerde chaos’, zoals een commentator stelde en de demonstraties van vuilnismannen tot louter wanorde? Is dat alleen maar omdat de studenten beter gebekt zijn en hun groeps-branding een stuk beter op orde hebben? Waarom is het zorgelijk dat Nederlandse burgers raadsvergaderingen verstoren om te voorkomen dat in hun gemeente Syrische vluchtelingen worden opgevangen, en versterken Wij zijn hier en Sans Papiers de mensenrechten?

Begeven we ons hier op drijfzand? De cynicus antwoordt: het gaat louter om macht en particuliere belangen. Groepen die toevallig op een gegeven moment machtig zijn, of dat nu om goede of slechte redenen is, bepalen wat legitiem is en wat niet en wat doorgaat voor mensenrechten en wat niet. Dat kan een bepaalde sociaaleconomische klasse zijn (Marx’ bourgeoisie), een intellectuele elite (Geert Wilders’ ‘linkse kerk’), een etnische groep (witte economische, culturele en politieke macht), of een werelddeel (het ‘Westen’ dat zou bepalen dat slechts in Afrika misdaden tegen de menselijkheid gepleegd worden). Protestbewegingen keren deze logica slechts om, maar veranderen niets wezenlijks, ze stellen er alleen maar andere eigenbelangen voor in de plaats, menen de cynici.

Verlamming

Gündoğdu laat zien dat ‘de mensenrechten’ op zichzelf genomen niet het antwoord kunnen zijn, omdat die misbruikt kunnen worden, of wellicht vaker, zichzelf onbedoeld of met de beste bedoelingen ondermijnen. Maar ze weigert resoluut toe te geven aan verlammend cynisme.

De nadruk op articulatie mag dan wat onbevredigend zijn, Gündoğdu heeft een scherp oog voor de problemen van zowel mensenrechten-cynici als kosmopolitische verdedigers van universele mensenrechten. Volgens de eerste groep zullen de protesterende vuilnismannen misschien de onvermijdelijke verliezers van de geschiedenis zijn, niets aan te doen. Volgens de tweede groep zijn het misschien passieve slachtoffers – van neoliberalisering, Apartheid-met-andere-middelen – met nood aan een goede vakbond die hun belangen representeert. Voor liberale kosmopolieten zijn de protesten van de vuilnismannen weliswaar niet effectief, maar wel legitiem. Voor de rellen in Geldermalsen geldt precies het omgekeerde. Alleen bij de studenten en migrantenbewegingen als Wij zijn hier vallen effectiviteit en legitimiteit volgens hen samen.

Bedrog

Cynici vinden het onderscheid tussen effectief en legitiem protest zélf het resultaat van de ideologische verdwazing van liberale kosmopolitische denkers, die slechts aan het oog onttrekt dat de hardste schreeuwer gelijk krijgt – en daarmee dus heeft. Universele mensenrechten, laat me niet lachen! Een zoete leugen en louter huichelachtige retoriek die bijzonder handig gebruikt kunnen worden als excuus of alibi om de eigen partijdige belangen te dienen. Ik ken niemand die deze opvatting zo bijtend heeft verwoord als de ultraconservatieve rechtsfilosoof Carl Schmitt, die in 1932 schreef: “Wie mensheid zegt wil bedriegen”, nadat hij eerst venijnig heeft opgemerkt dat “‘Mensheid’… een bijzonder bruikbaar ideologisch instrument van imperialistische expansie” is.Studenten, zo vervolgen de cynici, zijn de aspirant machthebbers van de toekomst en kijken met hun welbespraaktheid en hun gelikte PR nu al de methoden af van neoliberale powers that be. Eenmaal aan de macht zullen ze geen haar beter blijken te zijn dan de onverschillige en arrogante bestuurders die nu de dienst in dit land uitmaken, en vooral erg goed voor zichzelf en hun familie, stam en vriendjes zorgen, binnen de universiteiten, het bedrijfsleven en politieke organen op elk niveau (Zonnekoning Zuma voorop). Wie zijn ongenoegens niet weet te vertalen naar het zogenaamde algemene belang (dat in feite het belang is van de heersende macht), weet het spelletje gewoon (nog) niet mee te spelen.

francia-migrante-espulsa-sans-papiers1_600

Dubbelzinnigheid

Hoewel er een zekere waarheid schuilt in deze kritiek op de mensenrechten, vind ik Gündoğdu’s argument overtuigend dat we hier weliswaar geen vaste grond onder onze voeten hebben, een universeel geldig principe zoals een gedeelde menselijkheid bijvoorbeeld (‘we zijn allemaal mensen’, Alle Menschen werden Brüder), maar dat dat nog niet maakt dat we helemaal niets in handen hebben en dat mensenrechten buiten hun specifieke ontstaanscontext geen geldigheid hebben of louter de belangen dienen van machtige groepen. De geest van gelijkheid en vrijheid is wel degelijk meer dan een losse flodder of een zoete droom die per definitie uitloopt op een nachtmerrie. Geen rotsbodem dus, maar evenmin drijfzand.

Goed verhaal

Wat sterk is aan haar betoog, is dat ze laat zien dat de cynici die overal louter machtsgrepen zien en menen dat de mensenrechten niet anders kunnen dan uitlopen op geweld⎯meestal het soevereine geweld van de staat⎯te weinig oog hebben voor de dubbelzinnigheid van de mensenrechten. Zo is de Franse mensenrechtenverklaring van 1789 zowel ten kwade toegeëigend door de Jacobijnen, als ten goede door de mannen en vrouwen van de Parijse Commune. Mensenrechten kunnen het beste worden opgevat als een praktijk, een strijd, kortom: een werkwoord: het steeds opnieuw funderen van mensenrechten. Of dat alleen met een ‘goed verhaal’ kan, blijft de vraag.


  • Ayten Gündoğdu, Rightlessness in an Age of Rights: Hannah Arendt and the Contemporary Struggles of Migrants, Oxford University Press, 2015. Mijn recensie van dit boek zal binnenkort verschijnen in Contemporary Political Theory.
  • Het citaat van Jacques Rancière komt uit zijn boek Dis-agreement, University of Minnesota Press, 1999. Vertaling van mijn hand.
Advertenties

Een gedachte over “De politiek van stank en lawaai

  1. Pingback: Bram Fischer | Essays over wereld

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s